Korte stukjes

23-10-2017

Kermis in Tiel
In Tiel geen Albert Heijn gezien. Laat staan een Marqt. Wat zegt dat over een stad?
Wel een Bristol. Een Kijkshop. En borden met reclame voor een winkel die ‘al uw goud’ wil opkopen.

‘Wonen in uw ideale woonomgeving’ staat er op een gebouw als ik Tiel binnenrijd. Een modern gebouw. Er is gewerkt met natuurlijke materialen. IJzeren rasters houden grote keien bij elkaar waardoor het muurtjes zijn geworden. Een beetje zoals op het Engelse platteland. Tussen de muren  groeit kort gras en bovenop de muren hebben ze appartementen met raampartijen gebouwd. Hoe hoger je woont hoe meer je uitkijkt over de binnenstad en de Waal. Aan de overkant zie je Wamel en Dreumel liggen. Je kijkt ook uit op rechttoe rechtaan rijtjeshuizen met oranje zonneschermen.

Onder het gebouw zit een Lidl met een overdekt parkeerterrein. Lidlfillialen horen een winderige parkeerplaats met zwerfvuil te hebben. Geen slagboom met een intercom.
Maar goed, ze proberen er wat van te maken in Tiel.
Op het terras van De Merckt stoot een vrouw een wijnglas om. Een groepje jongeren loopt langs. Eentje moet er hardop om lachen. Het is geen fijne lach. Het is een honende lach. Kil.Ze lopen verder en gooien muggenscheetjes op straat. Kleine kinderrotjes. Ze hebben joggingbroeken aan. Een paar op badslippers met witte sokken erin. De nieuwe mode. Grauwheid overheerst.
De jongen die lacht heeft achter zijn oor muzieknoten getatoeëerd.  Naast hem een meisje met net zo’n jas als alle andere meisjes in Tiel. Een zwart kunstleren jack met een glimmende zilveren ritssluiting. Lage zwarte gympen aan de voeten van hetzelfde merk. Ze loopt naast hem alsof ze zijn hond is en ieder moment bang is een ruk van de ketting te krijgen.
Jongens met t-shirts van Turkse voetbalclubs rijden op hun fietsen langs de terrassen. Ze draaien cirkels. Ze proberen hun fiets op één wiel te trekken. Een man in een invalidenwagentje eet een oliebol. Zijn neus zit onder poedersuiker. Een chihuahua tussen zijn voeten op de plank.
Geslenter.
Verveling.
De herfstvakantie is halverwege.
Dan zie ik een meisje met een suikerspin onder de Waterpoort doorlopen. Haar moeder heeft een knuffelbeer in haar hand. En dan begrijp ik het. Het is kermis in Tiel.
Ik wandel onder de poort door en zie de attracties op een parkeerterrein staan. Twee politieagenten praten met de man van de schiettent.
De oliebollenkraam heeft geen klandizie. Met vermoeide hoofden staan de eigenaar en eigenaresse allebei met een vliegenmepper in de hand. De man heeft er zo eentje die kleine stroomschokjes geeft. De kraam zit vol met muggen en vliegen. In de vitrines stapels appelbeignets en oliebollen zonder én met krenten. En wafels met geel en roze glazuur eroverheen. De vrouw zegt: “Ik loop de hele dag te wapperen. En we motten nog het hele weekeinde. Er komt regen. Gek worden we ervan. Amper klanten, wel vliegen.”
Terug via Zoelen.  Een woonwagenterrein aan de rand van het terrein. Standbeelden van leeuwen voor de oprit. Mercedessen en Volkswagen Golfjes. Een bord met daarop ‘Inkoop oud ijzer en metalen. Ook sloop. Damen’. De naam Damen op een muntjesverkoophokje. Waar je ook komt in Nederland, als er een woonwagenkamp is, grote kans dat ze Damen heten.
In een hoek van het woonwagenterrein staan trailers met daarop kermisattracties. Ingevouwen staal. Een kinderdraaimolentje met mini-locomotiefjes ligt half onder een zeil verscholen.


22-10-2017

Herfstvakantie

Ik moet mijn lies trainen en ga op doktersadvies naar Zwembad De Waterlinie in Culemborg. U bent net te laat zegt vrouw achter de balie. We gaan zo sluiten. Door de ruiten zie ik wat bejaarden in alle rust hun laatste baantjes trekken. De vrouw wijst op een briefje waar de openingstijden op staan. Het vrijzwemmen begint weer om half twee. Ik zeg dat ik dan wel terugkom. Eerst lunchen in een stadje verderop, in Geldermalsen.

Ik rijd via de brug de Linge over. Erna half verzonken in een rotonde een grote appelkist met ‘Geldermalsen’ erop geschilderd.

Rotondekunst.

Een tractor draait de rotonde op. Erachter een platte kar met kisten appels. Naast de bestuurder zit een klein jongetje. Met pappa mee op de tractor.

Op het Marktplein zitten een moeder en haar zoontje op het terras. Hij heeft een jus d’ orange gekregen in een wijnglas. Voorzichtig houdt hij het glas vast zijn twee kleine handen. Hij glundert ervan. Zij geniet met haar ogen dicht van de herfstzon.

Herfstvakantie.

De uitbaatster van Grillroom Hozan is de ruiten aan het zemen. Schilders van schilderbedrijf Vincent klauteren de steigers af voor de schaft en bestellen Turkse pizza bij haar.
Vrouwen fietsen langs en hebben de fietstassen volgeladen met brood aan de bagagedrager hangen. Bij Bakker van Blijderveen blijkt het Brooddag. ‘5 broden voor 9,95,-‘

Tegenover bloemisterij Fleurie staat een auto op de stoep. Een man zit naar z’n telefoon te turen. ‘Hoehoe’ roept z’n vrouw naar hem als ze de winkel uitloopt. Hij kijkt op en start de motor. Het is een sober boeket.

Nog zoiets voor in herfstvakantie. Bloemen op de begraafplaats leggen.

Bij groenteboer Hakkert is het druk. Een vrouw niest. “We krijgen nog meer mooi weer,” zegt een klant. Pardon? Da’s streeksgewijs zegt ze. Dat zeggen we hier. Drie keer niezen, mooi weer. Alle vrouwen binnen bij Hakkert knikken instemmend.

Terug bij De Waterlinie. Nog voor ik entreegeld betaal zegt de receptioniste met nadruk dat het erg druk is in het bad vanwege de herfstvakantie. Door de ruiten heen zie ik meer dan honderd drukke kinderen in het zwembad drijven. De volwassenen zitten op de tribune en kijken naar hun kroost. Of naar hun telefoon.
Bestaat er een mogelijkheid dat er één baan wordt vrijgehouden voor de sportievere zwemmer?
De badmeester houdt het in de gaten zegt ze. Ik betaal.

Niet dus.

Ik associeer zwembaden met pedofilie. En zo voel ik me ook als ik eenmaal het poortje doorga. Een moeder met drie bibberende dochters kijkt me argwanend aan als ik blauwe plastic zakjes om mijn schoenen bind voordat ik de klapdeur naar het zwembad binnenga. Of ik beeld ik het me in? Dat kan ook.

Ik kleed me om in een hokje en doe de kleren in een kluisje. Ik heb geen vijftig cent dus doe het deurtje dicht maar niet op slot. Het zwembad is groot en met rood-witte drijvende koorden verdeeld in banen.

Ik kies de lege baan zonder kinderen,

De mensen op de tribunes kijken.

Ik ben de enige volwassen man in het water.

De badmeester loopt in een azuurblauwe polo rondom het bad. Hij schreeuwt af en toe naar de schreeuwende kinderen. Nog een keer en je kunt naar huis roept hij naar een paar jongens aan de andere kant van het bad.

Dan beginnen de kinderen in het bad te juichen en te gillen. Nog harder dan ze al deden. Vanachter een doek trekt de badmeester een stapel matten tevoorschijn. Hij begint ze vanaf de kant in het water te smijten. Er ontstaat een run op de matten. Kinderen duwen elkaar kopje onder om er een te bemachtigen.
Ook in mijn baan drijven nu blauwe matten. Al snel is mijn 50-meterbaan vol met jongens en meisjes die gevechten houden op de drijvende matten. Ik trek baantjes op m’n rug maar kijk om de paar slagen achterom of ik niet per ongeluk tegen een kind opbots.

Dat gebeurt.
Natuurlijk.
Trappende kindervoeten en matten in m’n nek.

Ik zwem naar een startblok en grijp me aan de reling vast. Ik doe rekoefeningen voor mijn lies. Een kind duikt bijna op me vanaf het startblok.

Na 10 minuten in het water te zijn geweest ga ik douchen.

Ik zie de ouders op de tribune opgelucht kijken als ik de hal uitloop.

Herfstvakantie, zucht.

21-10-2017

Appels

Tankstation bij de rotonde in Culemborg. Er staat een oude camper. Een man zit achter het stuur. Woeste kop en verschoten zwart t-shirt aan. Stickers van rockbands uit de jaren ’90 op de wanden. Motörhead. Iron Maiden. Dat werk. Net getankt en betaald. Hij maakt een zak chips open en legt hem op de bijrijdersstoel. Hij graait in de zak en trekt op. Rijdt weg. Het geluk tegemoet.

Martin Bril indachtig reis ik ook. Door de Betuwe. Het idee is om naar Tricht te gaan via Buurmalsen. Op de kruising met de Zeedijk en de Rijkstraatweg besluit ik impulsief toch rechtsaf te slaan richting Heerlijkheid Marienwaerdt, een landgoed. Ik zie alleen maar weilanden en bomen en sloten.

Uit de stukjes van Bril die ik verslond kan ik me amper beschrijvingen van natuur voor de geest halen. Bril was een stadse jongen. Of op z’n minst verstedelijkt.

Maar hoe beschrijf je die natuur ook als je de namen niet kent.
De namen van de vogels niet.
Misschien een meeuw, een duif, een kraai. Maar verder?
Van de bomen niet. Bij eik en beuk rijzen al twijfels.
De gewassen diep in grond herken je wel. Maar alleen als ze uitgespreid in hun bakken in de supermarkt liggen. Je kunt ze niet herkennen aan hun blad dat boven de aarde uitsteekt.

Telkens werden Brils ogen naar iets menselijks getrokken.
Of was het gemakzucht?

Een mysterieus roodoranje zon staat aan de hemel, een cadeau van de storm Ophelia hoor ik op de radio. IJskristallen, Saharazand en roetdeeltjes van Portugese en Spaanse bosbranden schieten voor hem langs, vandaar die roodoranje kleur.

Probeer de natuur maar eens te beschrijven zonder te verwijzen naar iets menselijks. Moeilijk.

Twee zwarte paarden omhelzen elkaar met hun nekken. Althans dat denk ik.

Omhelzen paarden?

In de verte knipperen de rode lichten van een spoorwegovergang. Ik rijd tot aan de slagboom. Links liggen plastic bloemen in het gras en staan vetplantjes gepoot in de grond.

Een herdenkingsplaatje. Mensen stierven hier bij een aanrijding met de trein.

Maar goed. Natuurbeschrijvingen. Eenden in de berm. Een hond alleen. O nee, daar z’n baasje in een groene jagersjas leunend tegen een hek. Een huis op een terp. Een waslijn met babykleding eraan. Weer mensen.

Door over de Appeldijk naar Tricht waar auto’s ‘te gast zijn’. Een dijkje omsloten door appelbomen. Een vrouw met een blindenstok loopt door de berm langs houten kratten vol met appels met een tractor ervoor.
Jongetjes van VV Tricht in groene trainingspakken staan aan de rand van het veld te kijken naar een bal die in de sloot ligt. Onhandig gedoe met elkaar vasthouden aan de mouwen om niet in het water te vallen om zo die bal te pakken.

Tussen de boomgaard net voor Tricht zit Landwinkel De Hoenderik. Ik krijg les in appels en leer het verschil tussen Santana-appels en Wellant-appels kennen. Hoewel ze op Goudrenetten lijken blijkt dat je het Wellant-ras ook gewoon uit de hand kan eten. Ze zijn niet zuur. “Sommige mensen komen speciaal voor die Wellants om appelemoes te maken. Ze zijn van zich eigen zoet en d’r hoeft geen suiker bij,” vertelt de uitbaatster. Ze komt niet uit Tricht maar uit het plaatsje met de wonderschone naam Rumpt. Daar moet ik ook eens heen.

Appelemoes.

Bam, ik zit aan tafel bij m’n oma en ben vijf jaar oud. Ook zij zei appelemoes. En als toetje bitterkoekjespudding met custard.

En zo roept de natuur via de appels automatisch weer herinneringen op aan – juustem – mensen. Liet Bril de natuur daarom links liggen? Irriteerde het hem dat je de natuur niet kan beschrijven zoals-i echt is, maar dat je telkens terug moet grijpen op iets menselijks om er een gevoel bij te krijgen? Ik sluit het niet uit.

Terug over de Zeedijk zie ik dat de paarden elkaar nog steeds aan het omhelzen zijn.

20-10-2017

Buren

Dit is dus het stadje dat als dekmantel diende toen Koning Willem Alexander stiekem meedeed aan de Elfstedentocht in 1986. W.A. Van Buren stond er op het wedstrijdformulier. Ook zijn moeder en z’n oma gebruikten regelmatig Van Buren als ze zich in een hotel wilde laten verwennen en geen zin hadden dat de mensen te weten kwamen dat zij het eigenlijk waren in kamertje 302.
Buren dus. Een ommuurd stadje midden in de Betuwe aan het kleine riviertje de Korne. De erfdochter Anna van Buren trouwde met Willem van Oranje. Sindsdien mag Buren zich Oranjestad noemen.

En dat doen ze dus ook.

Het café vlakbij de intacte stadspoort de Huizepoort heet het Prinsenhof, iets verderop zit Grancafé De Hofhouding, dan is er nog Sociëteit Maximaa(l)! en aan het einde van de Peperstraat Hotel-Restaurant De Prins. Daarnaast zit dan weer het Marechausseemuseum.
Het Oranjemuseum is open. Bij de ingang verfrommelde foto’s achter een glasplaat. Ze hadden wel wat koninklijker opgehangen mogen worden, ze hangen er net zo bij als foto’s op een koelkast in een studentenhuis; schots en scheef. Al past dat natuurlijk wel een beetje bij Koning Willem. De foto’s herinneren aan een recent bezoek van het koninklijk paar. De dochters zijn al groot. Eentje – ik houd ze nooit uit elkaar – loopt op krukken. Skiongevalletje in Lech?
Hollandse krenterigheid. Met een museumjaarkaart kost een entreekaartje drie euro. Maar die korting geldt weer niet als je met een groep bent, dan betaal je vier euro. Blijkbaar hebben ze in Buren nogal veel groepen op bezoek. Het museum dat van ieder groepslid een extra euro af wil troggelen. Ik verheug me op een heuse clash tussen de krenterige museummedewerkers en het ongetwijfeld zuinige reisgezelschap. Leden van een groep die bij het naar binnen gaan van het museum doen alsof ze niet bij de groep horen; alles om die ene euro te besparen. En de dame van het museum die ze op haar beurt dan weer betrapt in de zaal waar ze naar de Gouden Pronkbeker staan te kijken. “Meneer en mevrouw, ik zag u zojuist praten met die andere mensen, u behoort heus wel tot de groep.” En zij dan weer ontkennen.
Bolletjes ijs in Buren kosten bij IJssalon Hartje maar 0,75 cent. Dat is dan wel weer fraai, en gul.

De Hollandse rust in Buren werd verstoord door een bezorger van Albert Heijn. Hij had een baard – islamitische vlasbaardje. De slager van slagerij Arno Knobbout – goeie naam voor een slager – stond even met de jongens van de vuilniswagen te praten, pal voor de Huizepoort. De bezorgauto kwam hard aangereden over de Voorstraat en de bestuurder had geen zin om te wachten. Hij begon vrijwel meteen te toeteren en dreef zijn auto langzaam op, met zijn koppeling ingetrapt hard gasgevend, richting vuilniswagen. De slager en de vuilnismannen kapten het gesprek maar af en reden weg zodat Appie erdoor kon. Aan de andere kant. Misschien speelde dit ritueel zich wel iedere maandagochtend af en dan kan ik de bezorger wel begrijpen. Je gaat niet iedere keer staan wachten totdat de slager is uitgeluld.

Er was een detonerend niet-Nederlandse element in Oranjestad Buren. Ze liep over de Aalsdijk. Ze had een zwarte legging in laarzen gestopt en een skijas aan. Hij had zijn linnen overhemd met korte mouwen nog een keer uit de kast gehaald op deze zonovergoten dag met recordtemperaturen midden in de herfst en een zonnebril op. Ze spraken Spaans tegen elkaar. Hij met een Nederlands accent. Het leek de wandeling van een Nederlandse man die zijn vrouw had leren kennen in Guatemala en haar nu eindelijk naar Nederland had weten te halen. Ze verkenden nu zijn Betuwe.
Ze begon enthousiast te wijzen. Ze liep het pad naar de Prins van Oranjemolen op. Die zag er dicht uit. Ze liep naar de deur van de molen, voelde eraan, keek naar de wieken en keerde om. Ze wandelen verder. Zij zei nog iets over molens. Hij mompelde wat terug. Aan de achterkant van de molen zat nog een deur. Daarop zat een wit a4-tje geplakt. Een a4-tje met openingstijden dacht ik. Maar nee. Het bleek een vacature voor molengids te zijn. ‘GEZELLIG TEAM WAAR ALTIJD TIJD IS VOOR EEN KOPJE KOFFIE OF THEE, OF IETS ANDERS…’ was de zin die opviel en in kapitalen geschreven was. Iedereen die ‘fan van molens’ was werd gevraagd te reageren. Het nummer van John stond eronder. Je zou dan vrijwillig in het weekeinde de molenaar mogen assisteren en in het winkeltje kunnen helpen. Werken in een korenmolen in Oranjestad Buren, als dat geen geslaagd integratietraject moest opleveren voor de mevrouw met de legging in de winterjas dan wist ik het ook niet meer. Ik zou meteen bellen voor mijn lief.

30-05-2016

Ik fietste met een vriend op en wielrenfiets door de Achterhoek. Via Nijmegen en het Duitse Hinterland bij Emmerich over de Rijn en daarna voorbij de Grens weer Nederland in. Ulft, Varsseveld, Lievelde, dat soort plekken. Op de Oude Altenaseweg bij Lichtenvoorde vloog een wesp tegen mijn gezicht en bleef achter mijn brillenglas gevangen zitten. Hij stak me twee keer in mijn wang. Ik sloeg de bril van mijn gezicht. De wang zwol direct op. Ik voelde het gif naar binnen trekken. De vriend zoog mijn wang leeg. We stonden alleen op een rechte weg met boerderijen ver uit elkaar. In de verte kwam er een auto aan. Het zal er bijzonder uit hebben gezien. Twee fietsers op het asfalt in wielerkledij in een omhelzing. Ik voelde hem ’t gif uit mijn wang zuigen. Hij spoog het naast zich op straat. Het smaakte vies zei hij. ’s Avonds bij kroeg Kruuk in Lichtenvoorde. Alleen maar mannen. Voetbal op tv. Weer dezelfde teams. Dit jaar zelfs uit dezelfde stad. Vast een overwinning voor de stad Madrid niet zozeer het failliet van het voetbal, maar wel het failliet van de beleving. Maar we keken toch en na het eindsignaal raakten we aan de praat over bloemencorso’s, de Zwarte Cross en er sloot een man aan die sinds een klein jaar gescheiden was. Ook zij woonde nog in Lichtenvoorde. Ze deelden drie kinderen.  Zij wilde meer avontuur. Hij kon dat niet bieden. En nu ging ze met een ander. Goeie vent wel. Hij had ze een paar keer samen gezien. Ze heeft me eigenlijk ingeruild zei hij. Maar nu ging het goed. Nee gelukkig zou hij zichzelf niet willen noemen. Gelukkig dat ben je maar heel soms. Wat hij nu was noemde hij tevreden Tevreden is zo’n woord dat je weinig hoort in de stad waar ik woon. Daar draait het om geluk, in tien stappen, in drie weken of via een cursus dit of dat. Nee ik ben gewoon tevreden zei de man uit Lichtenvoorde die net gescheiden was drie kinderen had bij een bank werkte en drie keer per week tafeltenniste. Van een carriere waar hij vroeger op de universiteit van droomde was het nooit gekomen, daarvoor had hij in Amersfoort moeten blijven. Maar wat hij nu verdiende was ook niet slecht. Hij wilde na z’n studeren terug naar Lichtenvoorde. Daar kwam zijn meisje ook vandaan.  En daar woont hij nu. Niet gelukkig. Wel tevreden.
Er zat nog een jonge vent bij in de kring op het terras van Kruuk. Iets hield hem – twintig, onrustig, onzeker sigaretten rokend –  nog in Lichtenvoorde maar je hoorde hem denken hoe het op andere plekken zou zijn.Nog één, twee jaar en je ziet hem in de trein stappen. Om in Amsterdam uit te gaan. Om vrouwen en misschien wel mannen  te vinden die lief voor hem zouden zijn. En daar zal hij jaren blijven. Maar op een dag komt hij terug in Kruuk en ervaart hij van de andere kant wat hijzelf nu zo mooi vindt. Dat hij Kruuk binnenkomt en dat iemand tegen hem zegt dat hij hem een paar jaar niet gezien heeft maar het mooi vindt dat hij even over is van de andere kant van Nederland. Deze zomer gaat hij weer naar festival Zwarte Cross. Of we ook wilden komen. Z’n ouders verhuren het tuinhuis. Er was plek. Hij vertelde dat er geen grote artiesten  op de Cross komen. Daar ging het daar ook helemaal niet om.  Waar het wel om ging was mooi man zei hij.  Met z’n allen een lekker sfeertje bouwen. Kijk, dat is je verantwoordelijkheid nemen. De sfeer, die kunnen ze niet voor je bedenken. Die koop je niet. Dat doe je zelf. Het kan alleen. Maar soms is het fijner als je met z’n tweeën bent – of met meer. Met een kameraad of een stel kameraden zoals ze een vriend in Lichtenvoorde noemen. Het beviel in de Achterhoek. Tevredenheid was voelbaar.

29-01-2016

Ik las het stuk van de Volkskrant-journaliste die geen Nederlander meer wil zijn. Vanaf nu noemt ze zichzelf nog enkel Marokkaan. Het stuk raakte me. Niet omdat de journaliste zo helder uiteenzette waarom ze zich niet meer Nederlander wenste te noemen. Ze raakte wat anders, en volgens mij bedoelde ze dit ook, maar verwarde het haar. Ze schreef dit:
‘De waarheid is dat die Tokkies meer dan jij mijn mensen zijn. Wij zijn met elkaar opgegroeid. Ik ben net zo min bereid om tegen hen uitgespeeld te worden als tegen de gastarbeiders en migrantenkinderen met wie ik ben opgegroeid, hoe zeer zij mijn keuzen en standpunten soms evengoed afwijzen.Winnaars en verliezers. Winnaars en verliezers. Die woorden gaan door me heen na lezing van het artikel. Die woorden, en niet de woorden Nederlander en Marokkaan. Wat zij waarneemt heeft in mijn ogen niet zoveel met Nederlander en/of Marokkaan-zijn te maken. Het heeft te maken met een maatschappij van winnaars en verliezers die we in rap tempo zijn geworden. Je hoort bij de winnaars, maar je voelt eigenlijk veel meer sympathie en liefde voor de verliezers. ’s Avonds bezocht ik de FIlmhallen, en na de film dronk ik een biertje in de Foodhallen. Ook in dat Hallen Hallen Hallen, alles eindigend op hallen, klinkt een fel geloof door. Ook een a-klank, net als in allah. Een geloof in kopen, een geloof in kapitalisme, een geloof in consumeren, een geloof in gentrification. Hallen, hallen, hallen akbar. Uitsluitend witte succesvolle mooie mensen tussen de 25 en 40 jaar oud. Ik heb twee mensen met een andere huidskleur gezien. Een Zuid-Amerikaans ogende afwasser in een keukentje met vuile slippers aan zijn voeten en een Marokkaan die een blauwe bak met oud papier sjokkend voor zich uit duwde net voor sluitingstijd en ’t gedaan was met het drinken.

19-12-2015

Ik schiet door de nevel heen. In een trein die 300 kilometer per uur gaat. Het is de snelste trein waar ik ooit in heb gezeten. In vier uur word ik van Milaan naar Napels geteletransporteerd. Zo met die mist lijkt het Milanese laagland op de polder waar ikzelf vandaan kom. Knotwilgen langs een sloot. Ronde witte mestbakken naast boerderijen. Hoogspanningsmasten in hun eentje in een groen weiland. En niet verder kunnen kijken dan honderd meter vanwege de dichte mist. Hoe vaak zat ik niet in dit type weer op een fiets over een dijk naar mijn school. De natte haren bevroren eenmaal in de schoolbanken. Druppels op het boek voor je op tafel. Ik heb vanochtend afscheid genomen van een vriend. Een jongen uit Foggia die in Milaan is gaan wonen, zoals zovelen uit het zuiden van dit land. De eerste ochtend dat hij in zijn nieuwe stad wakker werd dacht hij dat er een ongeluk was gebeurd met een fabriek. Hij keek uit het raam en het enige wat hij zag was mist. Het bleek iedere ochtend zo te zijn. Dat was hij niet gewend. Alleen in Milaan was fatsoenlijk werk te vinden. Zoals alles in Milaan fatsoenlijk is. Hier rijden tram, metro en trein op tijd en hebben de vrouwen nooit ladders in hun panty’s. Sterker nog, ik was nimmer in een stad waar het openbaar vervoer zo goed werkte. De avond voor vertrek gingen we wat drinken in een buurt die bekendstaat als I Navigli. De Milanees geeft er hoog van op. Maar volgens ons niet meer dan een modderige sloot met wat kroegen ernaast. We parkeerden pal naast een zebrapad. Ik voorvoelde al dat het problemen zou opleveren bij terugkomst. Toen we eerder die avond ergens wat dronken vroeg een aangeschoten man waar mijn vriend vandaan kwam. Een opvallend vaak gestelde vraag hier: ben je van hier of kom je uit het zuiden? Hij vroeg waar mij vriend zijn accent vandaan had en nam zelf alvast een voorschot op het antwoord. Had hij het misschien in de supermarkt Simply gekocht tijdens de discount? Bij terugkomst zat er een bekeuring onder de ruitenwisser. De vriend moet zich aanpassen aan zijn nieuwe stad. Dat zal niet gemakkelijk worden voor hem. En ik, over iets meer dan drie uur ben ik weer in de stad waar niets functioneert zoals het moet, waar de auto’s op het zebrapad staan en de vrouwen soms hun haren op hun benen laten staan, maar waar het wel fijner vertoeven is.

14-12-2015

Ik ging op reis, weer naar Napels. Ik vloog via Rome. Op het vliegveld van Rome bleef het draaideurtje voor de No Schengen-zonemensen akelig leeg. Daar zie je bijna nooit iemand. Bijzonder hoe je budget reist – het goedkooptste van het goedkoopste – en hoe weinig mensen uit Syrië, Nigeria, Bangladesh, Somalië en andere landen in die vliegtuigen zitten. Zij reizen met boten, of in vrachtwagens, of te voet. Vanuit Rome nam ik een trein naar Napels. Op het Centraal Station van Rome vielen me de glazen wanden op die er neergezet waren. Een soort ov-poortjes maar dan van de grootte die je ziet in voetbalstadions. Glazen wanden waardoor de ene supportersschare niet bij de andere kan komen. Ze scheiden de perrons af van het gedeelte van het station waar iedereen in en uit kan lopen. Ze trekken een grens tussen hen die zich wel een kaartje kunnen permitteren en zij die dat niet kunnen. In de centrale hal van het station – wat nog wel openbaar gebied is – viel me op dat er niets lekkers te eten te krijgen was. Ook hier Starbucks en allemaal andere kloterige franchiseondernemingen. Ik had eigenlijk helemaal niet het idee dat ik in Italië was. Ik was in Global Village. En de trein naar Napels was ook nog eens een hele dure, die er vier keer sneller over doet dan de langzaamste regionale trein. De trein is naar Indiaas model opgedeeld in maar liefst vier klassen: Executive, Business, Economy en Standard. Er reisde een chefkok mee. De Standard bleek luxe genoeg voor mij. Hier had ik wel beenruimte, wat van Ryanair dan weer niet gezegd kan worden. Wat tegenviel was dat er in die hele dure trein geen gratis internet zat. Daar moest je extra voor betalen. Wat ik eigenlijk wil zeggen met al het voorgaande is het volgende: vandaag stond in het teken van volledig meedraaien in The Global Village, maar dan wel binnen de lijntjes van de regels van in- en uitsluiting. Gelukkig had de low-cost carrier Ryanair me eerder vandaag al ontroerd. U hoort het goed, de onpersoonlijke prijsvechter Ryanair had mij, de nostalgicus, weten te raken. We zaten in een toestel met een Italiaanse crew. Nadat ze hun plichtplegingen in het Italiaans en brokkerig Engels hadden verteld, zette een stewardess een geluidsband aan. In vrolijk Eindhovens vertelde een jonge jongen  de hele riedel nogmaals. En het werkte, je bleef luisteren. Ik stelde me voor dat iemand van Ryanair Group Netherlands een lokale MBO-vestiging had benaderd en de jongeren daar gevraagd had mee te denken over een boodschap waarnaar reizigers wel willen luisteren. Een mooi project om de regio meer te betrekken bij de big business. Ik stelde me voor dat de jongen met de mooiste stem (hij won de verkiezing met stip tijdens het 4e lesuur) ’s ochtends naar het hoofdkantoor van Ryanair Group Netherlands was gegaan, met de bus, om daar in een studio de tekst in te spreken. Thuis had hij het vele malen geoefend aan tafel bij zijn ouders. En hoe hij nu de held van de school is. Want hoe vaak zullen zijn medescholieren op hun vluchten naar Malaga, Tenerife en Rome zijn stem horen? Gewoon in het Einhovens, met een zachte g. En het werkte, je bleef luisteren. Localism begon vandaag bij een keiharde grote vliegtuigmultinational. Ik begreep er werkelijk helemaal niets meer van. Ik nam trouwens een Old Amsterdam-kaas mee voor mijn Italiaanse vrienden. Ik haal die kaas nooit voor mezelf in Nederland, maar of onverklaarbare redenen eindigde dat ding toch weer in mijn koffer. Volgens mij doet Old Amsterdam het ook goed op de wereldmarkt. Is er iemand die die kaas daadwerkelijk eet?

5-11-2015

Ik liep door de galerij in de winkelstraat. Een orkestje van oranjegeschminkte pieten speelde Sinterklaasliedjes. Bijna niemand bleef staan om te luisteren. Daarna kwam ik langs het zoveelste nieuwe koffietentje. ‘ Opening 7 februari’ stond op de ramen gezet met witte verf. En zo sjokte ik verder op weg naar nieuwe veters in mijn schoenen die waren geknapt toen ik ze vanochtend te stevig aantrok. Het gemoed was als de veter stond op knappen. Totdat ik een gesprek waarnam tussen twee overduidelijk beste vriendinnen van de pensioengerechtigde leeftijd. Ze liepen voor me door de galerij en de ene zij monter tegen de ander: Positivisme Trees. Positivisme. Positivisme ziet niet echt in je systeem vandaag hè? De ander keek bedrukt naar de grond zuchtte diep en stapte door met haar positieve vriendin. Ik moest er van lachenen mijn dag kreeg er zowaar wat kleur door.

24-11-2015

Ik was geraakt door de berichten uit Frankrijk. Wie niet. Het valt me zwaar om door te gaan. Maar het slijt al. Het afweermechanisme werkt. Sommige mensen kunnen dat, gewoon doorgaan. Het is ook het enige dat je moet doen, maar eenvoudig is het niet. Ik ging gewoon langs bij Marokkaanse bakker in de buurt. Niet om brood te halen, maar om te vragen hoe het was en of het internet nog werkte. De laatste keer dat ik bij hem was had ik hem geholpen met zijn internetaansluiting. Bovenop de koeling lag een kastje waar achterop een sticker zat met de netwerknaam en het wachtwoord. Het lukte hem niet het wachtwoord in te voeren in zijn computer en telefoon. Hoe gaat het met het internet vraag ik hem. Niet goed antwoordt de bakker, hij doet het weer niet. Ik loop achter de toonbank en verder de bakkerij in. In een oude zwarte koekenpan op een fornuis ingekleed met aluminiumfolie ligt een omelet te bakken. Een elektrisch straalkacheltje verwarmt de bakkerij, een tv staat op Nederland 1 met het geluid uit en aan de muur hangt een schermpje waarop te zien is of er iemand in de winkel is. In de ramen zitten sterren en barsten. Ik loop naar het kastje boven de koeling en zie dat het een ander kastje is dan de vorige keer. Ik heb een nieuwe gehaald zegt de bakker. Koffie? Ja graag. Die vorige deed het niet en nou doet deze het ook niet. Hij snapt er niks van zegt hij. Codes die achterop stickers van internetkasjes staan zijn behoorlijk onleesbaar, woorden zijn makkelijk te onthouden. Netwerkcodes niet. Het zijn codes bestaande uit kleine letters, hoofdletters en cijfers. Ik hoor weer vanuit de meterkast die vrouwenstem tegen me roepen Grote E , kleine s, vijfenzeventig, twee, drie, r j m allemaal in kleine letters en dan XH in kapitalen. Nog voor het abonnementsgeld van de vierde maand werd geïncasseerd woonde ik er al niet meer. De bakker zet een kop koffie voor me neer en een stuk chocoladecake. Hij kan wel lezen maar het onderscheid tussen kleine en hoofdletters is hem onbekend. Bovendien heeft hij dikke kromme vingers waarmee hij per ongeluk op letters drukt die hij niet wil en de SHIFT-toets op zijn telefoon kent hij niet. Hij geeft me een agenda die onder de bloem zit. Tussen de krabbels over zijn DIGID, zijn inlog van Telfort en andere cijfers en letters staan de netwerknaam en het wachtwoord, hij heeft het overgenomen van het kastje op de koeling. En inderdaad heeft hij geen onderscheid gemaakt tussen hoofdletters en kleine letters. Dat gaat zo niet werken zeg ik tegen hem. Hoezo niet ik doe gewoon blokletters. Ik schrijf de codes nogmaals over van het kastje en zet streepjes onder de letters die in kapitalen moeten worden ingevoerd. De bakker zegt dat hij het begrijpt. Waarschijnlijk moet ik volgende week weer achter de toonbank komen.Terwijl wij bezig zijn en ik het internet uiteindelijk aan de praat krijg komt er een oudere Marokkaanse man binnen. Hij komt uit dezelfde stad als ik zegt de bakker. Uit Oujda op de grens met Algerije. De man schept de omelet uit de koekenpan, snijdt een stokbrood open en doet de omelet ertussen. Hij geeft mij een stuk, er zit ui en aardappel in, en is knapperig. De bakker brengt hem een kop koffie met veel melk. De bakker opent Skype en belt met een vrouw in Marokko. Hij zegt iets tegen haar en loopt weg. De vrouw met een hoofddoek blijft een paar minuten stil voor het beeldscherm zitten. Als de bakker na een paar minuten niet terug is omdat hij mensen in de winkel aan het helpen is hoor ik dat de verbinding wordt verbroken. De oudere man neemt een hap van het stokbrood met omelet en mengt het met koffie. Hij vraagt waar ik vandaan kom. Nijmegen, dat kent hij, daar heeft hij vroeger gewerkt. Ze vertrokken ’s ochtends vroeg met een auto vanuit Amsterdam, hij was toen nog niet getrouwd. Het was toen nog niet zo druk als nu op de weg. Het was daar in Nijmegen bij die hoge gebouwen, weet je wel. Hij legde er verwarmingen aan. Woonde ook een tijdje in Wageningen maar dat was saai. Ik vertel hem dat mijn huis op een hoek ligt en dat ik enkel glas heb en dat het er vaak koud is als het hard waait. Hij herinnert zich de winter van 1997, toen de Elfstedentocht was. Gewonnen door Henk Angenent, zeg ik, een spruitjesboer. In dat jaar waren in de hele buurt de waterleidingen bevroren, bij hem niet. Hij liet het water gewoon doorstromen. De mensen uit de buurt kwamen in zijn winkeltje op de Wilhelminastraat water halen om thee en koffie te maken. Dat was gezellig vond hij. De bakker komt de keuken weer in en gaat bij ons staan rondom de ijzeren werktafel die nog wit ziet van de bloem waarmee vanochtend brood gemaakt is. We hebben het nog niet over Parijs gehad en ik voel dat ik er over wil beginnen. Hoe ervaren jullie het nu op straat, vraag ik? Wat bedoel je vraagt de man. Nou, hoe wordt er op jullie gereageerd? En dan spreekt hij de woorden die me veel geruster stellen dan die stroom aan berichten die ik de laatste dagen op het internet en in de krant heb gelezen. En tegelijkertijd doen m’n eigen woorden me schamen. De man reageert een beetje fel en kijkt me aan. Wat bedoel je met júllie, jongen? Ik woon hier al veertig jaar. Daarna vertelt hij dat spruitjes kleine kooltjes zijn en net als andere kolen van de kou houden. Sinds kort heeft hij geen tuin meer. Die had hij wel, in Landsmeer. Een tuin is hard werken. Geen tijd zegt hij en zijn zoons ook niet. Maar jammer is het wel. De bakker legt nog een keer verbinding met de vrouw in Marokko. En ik ga weg. Geruster.

16-11-2015

Of de haringkar nog aan het einde van de Overtoom stond wilde hij weten. Hij komt er al jaren niet meer. Hij was een van de eerste die rondjes begon te lopen in het Vondelpark. Hij heeft het agenda’tje nog liggen kijk hier staat het drie rondjes park. De honden kwam achter hem aan – nog niet gewend aan de hardlopers. En sommige baasjes moedigden ze zelf aan me te bijten zegt hij. Rare gek ze hebben hem al riepen ze hem achterop. Dat was in 1964 hij woonde in de Van Baerlestaar boven een chique mevrouw die nog een butler had. Hij werkte op het lab. Kwam thuis deed zijn sportkleren aan rende drie rondjes stak wat brood in z’n mond waste zich met koud water bij de wasbak deed z’n kleren weer aan en stapte op de fiets naar de Avondschool. In de jaren 70 werd hij enkele malen Nederlands kampioen Marathon. Nu doet hij open op een flatje ergens achter in Amsterdam-Noord. Zijn vrouw verliet hem al vele jaren geleden. Een man alleen. Op de bank liggen badlakens en strandhanddoeken. Stapels kranten stukken nagel en aardappelschilmesjes. Overal in het tapijt zitten brandgaten en ligt as. In de boekenkast prijkt Misdaad en straf van Dostojewski. Overal staan lege flessen en door het huis liggen medicijnverpakkingen. Kanker kreeg hem drie keer te pakken. Eerst prostaat toen de botten in de benen die hem kampioen maakten en ook zijn darmen. Kijk maar hij trekt zijn t-shirt omhoog en op zijn buik grote littekens van darmoperaties. De dokters gaven hem nog een maand hooguit. Inmiddels zijn we vijf jaar verder. Op de keukentafel liggen oude edities van Atletiekwereld en hardloopschema’s van vroeger tussen de thuiszorgmappen de belastingpapieren en dingen over het pensioen. Een man met mooie zwarte bakkebaarden dezelfde snor als nu maar toen nog zwart en armen en benen die ogen als dik gedraaid schipperstouw staat op de foto’s. Hij stopt de spullen voor me in een tas en vraagt of ik nog een koek meewil of een Mars voor onderweg of nog een glas limonade. De spullen die ik bij hem kom lenen hoeft hij niet meer terug zegt hij. Het interesseert toch niemand en als ik straks doodga gaat het door de papiermachine. Terug op de Overtoom zie ik dat de haringkar er nog staat. Lekker visje daar had de atleet gezegd. Ik ga het proberen morgen.

15-11-2015

Ik ging door. Want dat moet je doen hoorde ik via de televisie en las ik in de krant. Een vriend liet weten dat het lastig was verder te gaan. Bedoel je of het me lukt om door te bewegen ondanks het nieuws uit Parijs schreef hij. Dat lukte niet zo erg goed want hij keek luisterde en las er veel over en zei dat hij het slecht van zich af kon zetten. Maar we gingen door en zodoende zat ik vanmiddag in een zaal waar mensen om een podium na elkaar verhalen voordroegen – waargebeurde verhalen. Het was een grote zaal met een laag plafond. Het stond helemaal vol met tafeltjes en stoelen. De zaal was uitverkocht. De barmannen zeiden bij binnenkomst dat ze liever de bestellingen aan de tafeltjes op kwamen nemen dan dat je het aan de bar bestelde. Het zou te chaotisch en te druk worden als iedereen door elkaar zou gaan lopen. Dus dat deden we niet.

09-11-15

Ik liep hard door het park. Samen met een vriend. We doen het in ons eigen tempo. We hebben niet iemand nodig die ons aandrijft, iemand die and kick and left and kick and right zegt. Iemand die zegt en nu sprinten jongens. Nog tien. Nog negen. vier, vijf, zes. Go! And kick. Nog even tot het gaatje gaan. Kom op Sandra. Je kan het Max. Bam! Bam! Bam! Op drukke avonden lukt het me niet om de beelden van communistische landen uit mijn hoofd te halen. Beelden waarin ik mensen in dezelfde rode trainingspakken massaal ochtendgymnastiek zie doen op kale grijze pleinen met aan weerszijden grote onpersoonlijke paleizen zonder ramen. Bereiden we ons voor op een oorlog? Je zou het haast denken als je al die fitnessclubjes in de weer ziet. Mijn vriend en ik hebben geen personal trainer. We lopen in een tempo waarvan we denken dat het goed is. We zullen het wel niet lang volhouden als de oorlog komt. Het zal allemaal wel niet snel genoeg zijn. Af en toe verliezen onze hoofden de voorwaartse richting en gaan naar links naar de vrouwen die ons in tegengestelde richting tegemoet- en daarna voorbijlopen. Maar kleine jongens zijn we. Geen schreeuwers. Geen opvallers. Dan loopt er opeens middens op de weg een golden retriever, helemaal alleen. Hij heeft een boomstronk van ruim een meter in zijn bek. De mensen die hij tegemoet loopt moeten uitwijken, want anders knalt de stronk tegen hun schenen aan. Hij draaft met het dikke stuk hout in zijn bek. De mensen die wandelen lachen. Na een paar rondjes over het asfalt gooit de hond de stronk neer. Een baasje is niet te bekennen. Die hond liet zomaar even aan de mensen zien wat hij kon, wat hij waard was en wie hij was. Hij was veruit de sterkste en de opvallendste vandaag in het park. Hij was iemand, Een hond in het park.

23-06-2015

Ik zat in een trein die langzamer ging rijden. Beste mensen vanwege een persoon die langs het spoor loopt rijden we met aangepaste snelheid. Tot station Driebergen zullen we niet verder dan veertig kilometer per uur rijden riep de conductrice om. Ik klakte geërgerd met m’n tong. De vrouw tegenover me keek heel begripvol en serieus voor zich uit toen ze het bericht hoorde. Haar gezicht vertrok er een beetje bij. Ik had meteen spijt van m’n ergernis. Misschien had ze ook wel zoiets meegemaakt in haar omgeving. Vanuit het raam zag de snelweg waar de auto’s ons nu juist inhaalden. Ik zag dat veel huizen groententuintjes hadden pal aan het spoor. Ook zag ik een groentetuintje dat niet aan een huis grensde. Het lag tussen het spoor en een berg afvalhout in. Het leek een geheim tuintje te zijn. Een stiekem aangelegd tuintje. Ik vroeg me af in hoeverre ieder stukje Nederland ergens in een register zou zitten. Ik vroeg me af of er nog plekken waren waar je zomaar een groentetuintje kon beginnen. Ik vermoedde van niet. Ik stel me voor dat in Nederland iedere millimeter land verdeeld is en dat er ergens een kaart aan een muur hangt of in een computer zit waarop Nederland is opgedeeld in heel veel vierkantjes en dat ieder vierkantje een ander kleurtje heeft. Ik verwacht niet dat er nog blanco hokjes zijn. Er zou vroeg of laat een ambtenaar je op staan te wachten als je ’s ochtends met je gieter en hark aan zou komen fietsen.. Ik snakte even naar plekken waar je wel zomaar ergens een groentetuintje kon beginnen. Ook dat land zou vast iemand toebehoren maar ze zouden er voor je de eerste oogst van het land zou halen niet eens achter zijn gekomen. Dus dat ging ik regelen. Een reis naar zo;n land. Inmiddels was de trein bijna bij Driebergen en hadden we nog niet opeens moeten remmen en de trein was ook niet stil gaan staan. Ik had ook niemand zien lopen langs het spoor. Net voor het station kwamen we langs een spoorwegovergang. De boom zat dicht. Erachter een lange file. Twee politiewagens stonden voor de slagboom. Tussen twee politievrouwen in stond een grote man. Hij had een spijkerbroek aan met verfvlekken erop. Hij leek een bouwvakker of dakdekker. Hij huilde en had een telefoon aan een oor. Heel onrustig keek hij het spoor af in de richting waar wij net vandaan waren gekomen.

22-06-2013

Ik woonde een avond bij over de mensen die proberen Europa in te komen om verschillende redenen. Op het podium zaten drie mensen die er verstand van hadden. Een universitair docent, iemand van de kerkenraad en een vrouw uit de eerste kamer. Er waren cijfers waaruit bleek dat de vluchtelingen ook weer niet met zoveel tegelijk kwamen als de krant deed vermoeden. En als het al ergens druk was met vluchtelingen dan was het wel in Syrië zelf en in Libanon. Er werden ideeën gedeeld om alle grenzen open te zetten en en te kijken wat er dan zou gebeuren. De docent was er zeker van dat de vluchtelingen bij open grenzen op en neer tussen huis en seizoensbaan zouden gaan reizen. Een beetje net als ik iedere ochtend maar dan een paar duizend kilometer verder. Hij verwees naar de Oost-Europeanen. Toen was er ook voorspeld dat die met z’n allen zouden blijven in Nederland en dat het ze de banen in zouden komen pikken. Dat bleek allemaal wel mee te vallen. Als het werk gedaan is gaan ze naar huis met geld en stroopwafels in de achterbak. Nu vond ik de vergelijking Polen, Hongarije en Bulgarije met Somalië, Eritrea en Ethiopië een kromme. Als ik mocht kiezen zou ik liever uit een Bulgaars dorp komen waar nog piepers in de grond zitten en uien dan uit Somalië waar mensen daadwerkelijk sterven van de honger. Ik zei dat twee keer tegen de docent maar die zei we gaan toch niet discrimineren hè terwijl hij een vingertje voor m’n gezicht hield. Ik vond er niets discriminerends aan en was toen ook wel uitgepraat met hem. Ik dacht op de fiets terug nog wat na over wat ik nou eigenlijk vond. En ik vond eigenlijk nog steeds wat ik al altijd al had gevonden. Zolang ik naar Mali mag reizen mag iemand uit Mali ook hiernaartoe reizen. En als dat gevolgen heeft voor onze welvaart of wat dan ook dan is dat maar zo. Dan kunnen we dat samen met de Malinees gaan oplossen.
Een dag later wandelde ik door het bos. Ik zag platgetreden gras dat op een paadje leek. Ik nam het pad. Ik kwam aan bij een houten hek. Het gonsde vanachter dat houten hek. Er stonden een paar bijenkorven. Niet rond en geel zoals in de plaatjesboeken van vroeger maar gewoon plastic bakken met aan de onderkant een kier waaruit bijen kwamen. Ik ging op een paar meter van de bakken staan en zag duizenden bijen vliegen. Wat opviel was dat als ze uit de korf schoten meteen heel hoog de lucht in vlogen in diagonale lijnen. Ze vlogen tot in de toppen van de bomen en daarna verder. Als je lang keek leek zat er een patroon in. Net als met vliegtuigen. Die vliegen ook vaste routes. En vluchtelingen. Het leek alsof ook de bijen routes hadden. In het begin leken alle bijen op elkaar. Ik zag geen verschil tussen de bijen die wegvlogen van de korf en de bijen die juist de korf invlogen. Maar na een paar minuten viel op dat de bijen die de korf invlogen iets wits aan hun kont hadden hangen. Dat moest het vergaarde stuifmeel zijn. En de bijen die uit de korf vlogen hadden helemaal niets aan hun lijfjes hangen. De avond over de vluchteling had me niet veranderd in mijn standpunt over migratie. Maar juist de bijen hadden me wel een inzicht gegeven. Dat we altijd terug zullen gaan naar waar we vandaan komen. Omdat we ons geld ons stuifmeel daar naartoe zullen brengen omdat we hen die daar wonen liefhebben en eren. Ik kan me voorstellen dat mensen die bang zijn voor massamigratie geholpen zijn door vaker en langer naar bijen te kijken.

18-06-2015

Ik was met een vriend die gaat trouwen op zoek naar een trouwpak. Hoewel we ons allebei meestens met zorg kleden was het kopen van een trouwpak ons allebei vreemd. Misschien zou er ooit een dag komen dat het een routineklus zou zijn, maar vooralsnog waren we trouwe jongens gebleken met hier en daar een opgelopen schram. Na een onvruchtbare poging tot aanschaf van een pak in de Amsterdamse Negen Straatjes belde de vriend op. Ik vermoedde dat er in de buurt rondom het Museumplein wel pakken zouden hangen. Die hingen er genoeg in de PC Hooftstraat. We wandelden de straat in. Een man met een hele rode kop van de zon zat op een stoel voor een café. Hij zat onbewogen voor zich uit te loeren met een grote pijp in zijn mond. In mijn herinnering zat er ook een Dalmatiër naast hem maar dat kan ik ook verzonnen hebben. Toen we hem een paar passen voorbijgelopen waren hoorden we iets op de grond vallen. We draaiden ons om en zagen de man zijn pijp van de stoep oprapen. Mijn vriend vroeg zich af of het nou zo moeilijk was om dat ding in zijn mond te houden. Het was namelijk het enige wat de man hoefde te doen, voor de rest zat hij erbij als een standbeeld. We stapten een filiaal van een bekende Amsterdamse pakkenmaker binnen. Binnen rook het naar oud geld. De lucht bleek uit een gouden schaal te komen waarin versnipperde potpourrieblaadjes lagen. Enkele verkopers zeiden ons goedendag. Een aantal verkopers in de aangrenzende ruimten waar de duurdere pakken hingen keek je heel even aan maakten hun neusgaten wijder en spanden hun borstspieren aan en rechtten hun rug. We wandelden wat langs de pakken met prijskaartjes waarop vier cijfers prijkten toen een heerschap ons aansprak. Hij werkte al zeven jaar in de pakkenindustrie en kon op basis van de vraag van mijn vriend die een eigenzinnige smaak had zeggen dat hij hoogstwaarschijnlijk een op maat gemaakt pak moest laten bestellen. Mag ik vragen wat het budget is informeerde hij. Zevenhonderd euro zei mijn vriend. Ah ja zei de verkoper dan moet je bij de instapmodelletjes zijn. Dat is vast in de kelder zei ik. Nee dat is niet in de kelder antwoordde de verkoper serieus. Na een handdruk die het meest weghad van een condoleanceronde wilden we de zaak verlaten. Kunnen we ook door deze deur naar buiten vroeg ik. Afdansen kans bij ons overal zei de verkoper. Goedemiddag. In een volgende winkel zei een vrouw tegen een man dat de taxi er was. Hij liep met haar naar buiten stapte de stationair draaiende Mercedes in om stapvoets verder te rijden langs de mooiste winkels van Amsterdam waar wij op onze beurt voor de komende twintig jaar wel weer genoeg tijd hadden doorgebracht.

16-06-2015

Ik loop voor het eerst de supermarkt weer in. Achter de kassa zit een vrolijk meisje. Ze kijkt de klanten aan bij het afrekenen. De man die voor me aan de beurt is legt deodorant, een aansteker en sigaretten op de band. Hij heeft oortjes in en is druk aan het whatsappen. Op z’n scherm tikt hij vier hartjes in. Maar hij kijkt heel streng naar het schermpje. Het kassameisje probeert oogcontact met de man te maken terwijl ze de producten langs de scanner haalt maar de man blijft naar zijn schermpje kijken. Hij steekt zijn pas in de pinautomaat voert de code in pakt zijn spullen en loopt de winkel uit. Als ik afrekenen zie ik dat zijn pas nog in de pinautotomaat zit. Oh die meneer is z’n pinpas vergeten zegt het meisje met he vrolijke gezicht tegen me. Ja antwoord ik, die is hij vergeten. Maar dan moet hij maar niet tien dingen tegelijk willen doen zeg ik tegen het meisje. Ik heb geen zin om achter de man aan te lopen met zijn pas. Het vrolijke meisje ook niet. Ze haalt haar schouders op. Als ik achter hem aan zou lopen zal hij het nooit leren. Hoewel ik een klootzak ben, voelt het goed.

15-06-2015
Ik stapte in Kopenhagen het vliegtuig uit en liep door een tunnel naar het vliegveld waar mijn bagage op een band binnen zou komen. Binnenin het vliegveld was er geen frisse lucht en de temperatuur was er ongemakkelijk hoog. Het contrast met de plek waar ik vanochtend op het vliegtuig stapte kon niet groter. Het was nog zo kort geleden dat de wind om m’n hoofd gierde en de regen kijken door m’n bril onmogelijk maakte. Het was zulk rotweer op die eilanden dat ik me uit had willen kleden en er doorheen had willen rennen. Ik liep het vliegveld van Kopenhagen uit. Ik ademde een paar keer goed in. Een stroperige lucht ging m’n longen in. De lucht smaakte naar benzine, kerosine en andere viezigheid. Na een keer of tien ademen waren mijn mond en mijn longen er weer aan gewend. Ik was weer bijna thuis.

06-06-2015

Ik heb dagen dat er te veel impressies zijn. Dat je zo wordt opgeslokt door het werk en de ontmoetingen dat het ’s avonds niet lukt om nog een ontmoeting van de dag tot leven te roepen. Ze zitten wel ergens in het lichaam maar het is te veel. Het is alsof alles tegelijk beukt tegen de binnenkant van je hoofd. En kiezen lukt niet. Daarom besluit ik met het laatste beeld van de dag. Op de eilanden waar ik verblijf zit een shoarmazaak. Het is de allerlaatste plek in Europa waar je verwacht dat een Nigeriaan een shoarmazaak runt. Toch doet hij het. Terwijl we de shoarma eten voert hij een gesprek door een telefoon met een barstje. Het gaat over geld en gaat dan weer in het Engels en dan weer in en Nigeriaans dialect. Hij is broken en heeft een miljoen kronen nodig om een nieuwe business in te stappen. Later vertelt hij ons dat hij met een Faroese vrouw is getrouwd. Het is te rustig op dit eiland. Maar veel meer kan hij ook niet aan. Als jij gaat slapen zegt hij doe je maar een oog dicht. Ik kan hier allebei de ogen dichtdoen ’s nachts. Hij moet hard lachen. Het is rustig op de Faroer Eilanden. En misschien ook wel te rustig. Het lijkt niet te kloppen. En dat verwart. Misschien klopt het juist hier wel.

31-05-2015

Ik zag de kraaien vanochtend in hun zwarte verenpak met hun scherpe snavels plastic zakken uitschudden. Naast me maakte een mevrouw zich op. Een meisje met een backpack op haar rug gaapte lang. Het zou niet lang meer duren voordat de trein die me naar het vliegveld zou brengen binnen zou komen rijden. Thuis was mijn bed warm en werd het nog warmgehouden tot ver wanneer ik voet in Napels zou zetten later vandaag.

30-05-2015

Ik wandelde wat door de winkelstraat. De schoenmaker wilde vijftig euro voor een reparatie hebben. Dat wilde ik niet betalen. Ik geef je veertig zei ik. Daarvoor kan ik het niet doen zei hij. Dan ga ik naar de Turk antwoordde ik. Bij de Turkse stomerij klonk heel hard Ankara Ankara Ankara uit een radio. De vrouw met de hoofddoek met bloemen zei dat ik de schoenen naar de schoenmaker verderop moest brengen. Zeg maar dat ik je stuurde dan krijg je korting. Onderweg passeerde ik restaurant Brasil. Twee mannen met tulbanden om hun hoofd zaten iets verderop op een bank. Een vrouw in een sari liep over straat en ging een woonhuis binnen waar de gordijen dicht waren. Uit de deur kwam een lucht die naar lekker eten rook. Een paar Antilliaanse mannen visten in het kanaal. En de jongens met hun bontkragen op scooters waren er ook. Ik zag geen kalasjnikov. Er waren een boel verschillende mensen op straat. Ik dacht aan de reizen door de Baltische Staten; over hoe exotisch het er voelde, maar ik realiseerde me ook dat op een gegeven moment alle mannen en vrouwen op elkaar waren gaan lijken. Er is amper migratie in deze landen. Iedereen is er blank en heeft een wipneus of een aardappelneus. Er is geen diversiteit in het land zelf. In deze winkelstraat is wel diversiteit. Maar toch heb ik het vermoeden dat die echte diversiteit pas echt zichtbaar wordt achter de voordeuren. Het is teveel in deze straat. Zoveel dat mij oog het niet aankan en het een eentonige brei wordt. Terug bij huis at ik een haring bij de kraam. Een man praatte met de visboer. Hij vroeg de visboer of hij wist waarom de lekkerbek lekkerbek heette. Ja dat weet ik antwoordde de visboer. Nou zei de man bij ons is de lekkerbek altijd van wijting gemaakt en die eet alleen maar garnalen. De wijting is een echte lekkerbek dus. De visboer zei dat het niet waar was. En zo discussiëren ze door. En ik liep verder. De Turk maakte de schoenen trouwens voor 35 euro. En even eerder die dag had ik ook nog mijn fiets naar de Italiaan gebracht. De zoon nam de fiets van me over. Jij bent die meneer die Italiaans kan toch vroeg hij. Ik zei ja jij niet dan heeft je vader het je niet geleerd. In goed Italiaans antwoordde hij dat zijn vader het hem niet geleerd had. Er was een hoop. Een hele hoop op deze zaterdag. En toch was het me allemaal meer van hetzelfde. En ik weet niet goed wat ik daarmee aan moet.

29-05-2015

Ik ben al die mannetjes met een calculatortje in hun hoofd een beetje moe. Vaak zijn ze lid van de VVD. Rik Torn van de VVD had uitgerekend dat er wel heel veel bibliotheken in Amsterdam bij elkaar zitten. De afstand van de ene OBA naar de andere was maar 1,2 kilometer. En hij had uitgerekend wat de kosten per uitgeleend boek waren: 11,31 euro. Volgens Torn fungeert Marktplaats tegenwoordig als bibliotheek daar kun je immers de hele wereldbibliotheek krijgen. Dus hoezo nog bibliotheken? Van Grunberg tot Tolstoj kun je er krijgen, aldus Torn. Rik Torn. Even kijken. Advocaat. Rik heeft een pand aan de Herengracht. Wat zou zijn uurtarief zijn? Het laagste advocatentarief is zo’n 100,- euro. Ik vermoed dat Rik daar flink boven zit. Een Tolstoj lees je niet in een uur uit. Voor elf euro kun je 6 minuten lulkoekjes van Rik krijgen. Over, jawel: Geld. Rik is gespecialiseerd in arbeidsrecht en ontslagrecht. En ik vraag me af wat er op zijn nachtkastje ligt. Iets zegt me dat daar de nieuwe van Joris Luijendijk ligt. Want die zie ik over om me heen in treinen bij mensen die ik anders nooit een boek zie lezen. Joris boorde een mooie markt aan. Een markt bestaande uit eikels.

28-5-2015

Ik sprak met een man die op zijn achttiende in Nederland was gekomen. Hij was weggelopen van zijn Roemeense tafeltennisploeg toen die een europacupwedstrijd in Nederland speelde. Roemenië was in die tijd nog communistisch. Als sporter mocht je alleen in groepsverband onder strenge controle het land verlaten. Paspoorten werden ingenomen er liepen beveiligingsmannetjes mee en weglopen was niet de bedoeling. Deze man deed dat toch. Een paar dagen later stak hij de grens met Duitsland over omdat hij daar wilde tafeltennissen. Maar hij zou daar nooit een verblijfsvergunning krijgen. Ergens in de limbo tussen Nederland en Duitsland werd hij staande gehouden door Nederlandse douaniers. Hij heeft de nacht geslapen in een grenscel en is op de foto gegaan met de douaniers. Hij speelde ’s nachts als achttienjarige jongen pingpong met ze onder tl-licht. De volgende dag lieten ze hem weer Nederland binnenlopen waar hij tot op de dag van vandaag woont.

07-04-2015

Ik sprak met een man die zei dat hij een bang mens was en daarom niet schreef onder zijn echte naam. Wel had hij afgelopen op een podium gestaan met een muzikant tijdens Lowlands en verhalen voorgelezen. Zo’n bang mens was hij nou ook weer niet. Ik rookte zijn laatste sigaret maar dat maakte niet uit want hij had nog een pakje. Het café waar we voor stonden kende ik nog niet. Binnen was het aangenaam en speelde drie jongens uit Brabant omstebeurt een liedje op hun gitaar. Twee van de drie jongens zongen in de taal van hun eigen streek. Sommige liedjes raakten me maar de meeste liedjes niet echt. Aan de bar kon je sigaretten los kopen. De eigenaar deed dit om het roken te verminderen. Als mensen zelf een pakje hebben dan staan ze de hele tijd in de rookruimte of buiten zei hij. Ik vond het een fijn café en bedacht dat ik er de komende tijd wat vaker naartoe zou gaan.

04-04-2015

Ik sprak met een meisje een vrouw kan ik haar nog niet noemen. Of beter gezegd het meisje sprak tegen mij. Ze vertelde over de tijd in de kliniek waar ze zat voor een combinatie van anorexia en boulimia en nog iets met een afkorting. Veel mensen in de ruimte waar we zaten liepen om het half uur weg met een wit envelopje in de hand naar de doucheruimte. Als ze dan terugkwamen en naast je gingen zitten gingen ze tegen je praten. Hun neusrandjes waren dan een beetje wit. Het meisje sprak tegen me over de tijd in de kliniek en dat ze haar huidige vriendin daar had leren kennen. Die was daar gastvrouw geweest en had haar via Facebook verliefd op haar laten worden. De vriendin die tien jaar ouder was zat naast haar maar was in een ander gesprek verwikkeld. Het meisje vertelde over haar ziekte en dat het nog niet helemaal goed ging met haar. Nee genezen ben ik nog niet zei ze. En terwijl ze sprak over die ziektes zei ze zo nu moet ik even een snuif pakken hoor. Ze haalde een wit envelopje uit haar zak stak haar fietsensleutel erin bracht haar hoofd naar de sleutel en duwde met haar wijsvinger één neusgat dicht. Ze snoof hard en gooide haar hoofd in haar nek. Daarna keek ze me recht aan en knipperde een paar keer met haar ogen en toen sprak ze weer verder tegen me over haar ziektes en hoe erg het allemaal niet was.

02-04-2015

Ik zat onverwacht fris in de trein. Hoewel ik slechts een uur of drie had geslapen. De wind die loeide, de regen die tegen de ramen sloeg, de nog natrillende voetbalbenen en een gevoel van onrust hielden me uit mijn slaap. De slaap zou later deze dag nog wel invallen bedacht ik me terwijl ik dit stukje schreef. In de trein zat op de vierzits aan de andere kan van het gangpad een jonge vrouw. Ze rook om de zoveel minuten aan de mouwen van haar trui. Vond ze dat ze stonk? Was ze bang dat anderen haar konden ruiken? Of rook de trui juist heel lekker? Al snel viel ze in slaap. Haar nek viel steeds om naar de zijkant. Als haar oor het raam aanraakte schoot ze weer overeind om even later weer weg te dommelen. Na een half uur had ze genoeg geslapen en ging ze rechtop zitten. Ongegeneerd heeft ze de verdere reis gegaapt. Ik vind gapende jonge vrouwen ontzettend mooi om te zien. Tussen Ede-Wageningen en Arnhem deed ze de supergaap. Ze ging op het puntje van de bank zitten en rekte zich uit door haar rug hol te maken. Haar handen vormden een vuist en die stak ze de lucht in. Zo maakte ze zichzelf steeds langer en gaapte secondenlang. Aan het einde maakte ze een zacht hoog voldaan geluid. Net voor Arnhem begoh ze draadjes uit haar jas te pulken en deed ze haar haar los terwijl ze nog wat nagaapte zonder hand voor haar mond. Ik vond haar een danser. Ik was de toeschouwer.

23-03-2015

Ik liep door de wijk waar ik momenteel veel verkeer voor het werk. De wijk ligt in het hogergelegen gedeelte van Arnhem. De wijk kent rare contrasten. De omgeving is groen bosrijk en heuvelachtig. Op sommige heuvels kijk je richting Nijmegen en zie je het Duitse Reichswalt liggen. Tegelijkertijd oogt de buurt armoedig. De flatgebouwen zijn identiek en de tuinen amper onderhouden. Af en toe staat er ergens een tuinkabouter. Maar toen ik eenmaal bovenop de heuvel was vielen die gebouwen niet meer op. Wat opviel was een onhollands glooiend landschap. Een geul in het bos baadde in een gouden zonlicht. De gehele geul bestond uit volkstuintjes. Daar waren een man en een vrouw zonder met elkaar te praten gaas aan het spannen over de nog jonge aardbeienplantjes. Op een zeker moment zag ik achter een muur een dier zitten. Ik kon zijn hoofd niet zien maar dacht meteen aan een wolf. Ik bleef stilstaan en kijken naar het dier dat deels achter een bakstenen muur zat waardoor ik alleen het achterste gedeelte kon zien. Ik durfde niet verder te lopen. Opeens stond vanachter het muurtje een man op met een sjekkie in zijn mond. Goedemiddag zei hij. Kom maar zoek ‘m maar riep hij tegen z’n hond. Toen durfde ik wel verder te lopen. Het was geen wolf. Terug in de wijk bleven schoonheid en lelijkheid zich afwisselen. Een dikke jongen met een opgeschoren kapsel een Ajax-trainingsbroek en een joint in zijn hand liep op de stoep. Hij schudde wild met zijn schouders en liep met een overdreven opgepompte borst. Even later zat hij achterop een snorfiets bij een jongen met een kale kop en een oorbel en volgetatoeëerde armen. De snorfiets maakte een hels kabaal in de rustige wijk. Schoonheid zat hem in het mereltje dat zich waste in een van de wel mooi bijgehouden tuinen. Ruim een minuut lang stak hij z’n kop en veren en opvallend feloranje snaveltje in een waterstraal die uit een grote kei kwam gespoten. Hij hupte pas van de steen af toen ik aanstalten maakte weer door te wandelen naar het werk.

18-03-2015

Ik zat naast een oude man op het Vrijheidsplein van Tallinn. In zijn keel gordelde en raspte het en soms zag ik uit mijn ooghoek dat hij naar mij keek en wat mompelde. Hij rookte sigaretten en uit zijn binnenzak haalde hij een flesje wodka. Telkens als hij er een slok van nam barstte hij uit in een hard en langdurig hoesten. Verderop liepen twee oude mannen. Een van hen had een bos anjers in zijn hand. De man naast me hief zijn hand op naar het tweetal en mompelde weer wat. In langzame pas liepen de twee mannen naar ons bankje. Allebei keken ze met bezorgde blikken naar de man naast me. De man bleef wat mompelen en een van de mannen knikte alsof hij het begreep maar bleef hem bezorgd aankijken. Toen groetten ze de man en liepen verder in de richting van de kerk. De man naast me keek hen na en bleef mompelen. Voor de kerk waarin het tweetal met de anjers zojuist verdwenen was stond een zwarte lijkwagen. Het was stil op het plein ook de man mompelde niet meer. De kerkklok begon te luiden. De deur van de kerk ging open. Mannen met hoge hoeden tilden op hun schouders een kist de kerk uit. Ze schoven de kist in de wagen waarvan de achterklep openstond. Daarna deden ze hun hoeden gelijktijdig af en namen afstand van de wagen. Uit de kerk kwam een twintigtal mensen gelopen allen de zestig ruim gepasseerd. De mensen waren in het zwart gekleed en een enkeling droeg paars. De meeste vrouwen droegen een bontjas. De mensen waren stil en de enkelingen die spraken deden dat op fluistertoon. Een vrouw met een zwarte hoed op een glanzend grijze staart maakte zich langzaam los van het gezelschap. Op haar zwarte pumps nam ze voorzichtige kleine maar weloverwogen stappen richting de lijkwagen waarvan de alarmlichten inmiddels knipperden. De auto begon stapvoets voor haar uit te rijden. Met een vinger veegde ze een traan weg onder haar ogen. Voor haar borst hield ze een fotolijst met de foto naar haar lichaam gericht. De wagen nam een langzame bocht richting de straat. De vrouw stak een hand in de lucht en begon te zwaaien. Niet zoals je een zeeman uitzwaait van links naar rechts maar haar hand bewoog van voor naar achter alsof haar hand knikte alsof ze de wagen met daarin de persoon op de foto die ze tegen haar borst aandrukte heenzond. Ga maar het is goed zo. Zo bleef ze staan kijken en wuiven totdat de wagen in het verkeer opgelost was en keerde ze heel langzaam terug naar de groep rouwenden die zachtjes met elkaar spraken en uit respect niet naar de vrouw hadden gekeken toen zij haar afscheid nam. Twee vrouwen boden haar een arm aan en de groep begon langzaam aan een wandeling over het plein. In de blik van de vrouw met het lijstje lag vrede. Toen ze langs me liep op het bankje kon ik op de foto kijken die ze niet meer zo stevig tegen zich aandrukte. De foto was in sepia-kleuren en toonde een man met een snor in een legerkostuum. De oude man naast me bleef onverstaanbaar mompelen. Ook tegen een oude vrouw die tussen ons in was komen zitten met haar handen op haar tas. Toe ik opstond stond ook zij op en wandelde ze richting de bloemenkramen waar ze katjes verkochten, van die harige bloemknopjes. De oude man bleef mompelend achter en de kerkklok was opgehouden te luiden. In de verte stapte het gezelschap in auto’s aan de rand van het plein. Kinderen begonnen op steppen sprongen te maken voor de ingang van de kerk.

17-03-2015

Ik merk hier vooral de kraaien op. Vanochtend hoorde ik het gerasp vlak naast het raam. Ik werd er wakker van. Toen ik deur uitliep hoorde ik het gekraai weer. Ik keek boven me en zag een dikke kraai op een lantaarn zitten. Zijn kop was (nog?) zwart maar zijn pak veren was (al?) grijs. Toen ik naar hem keek vloog hij op naar een dakrand en hupte zo tientallen meters met mij mee mij niet uit het oog verliezend. Ik lees hier in Tallinn uit het werk van Konstatin Paustovskij. Zijn natuur- en stadsbeschrijvingen zijn uiterst leerzaam. Paustovskij maakt strikt onderscheid tussen de beschrijvingen van geuren, geluiden en beelden. Neem het verhaal ‘Geluiden en geuren van Batoem’: ‘Over de geuren kan gezegd worden dat de walm van gebraden schapevlees meestal alle andere overheerste. En dat is erg jammer want de andere geuren van Batoem waren veel aangenamer. Maar ze konden er maar zelden bovenuit komen. Deze walm die scherp en bijtend was en je keel irriteerde, had als enige goede eigenschap dat je trek kreeg in sjaslik.’ In Tallinn heb ik nog geen uitgesproken geur ontdekt. Dat kan aan mijn verkoudheid liggen maar ook aan simpelweg een gebrek aan geuren hier. Ik verlang naar plekken me uitgesproken geuren. En dat hoeft niet ver weg te zijn. Dat kunnen de Utrechtse grachten zijn op een eindeloze zomeravond als in de Joegoslavische en Griekse restaurants het vlees wordt gebraden en de walm uit lagergelegen schoorsteentjes komt en op straatniveau blijft hangen. Dat zijn altijd aangename avonden.

16-03-2015

Ik sprak met mijn vrouwelijke gast uit Letland. De vorige keer vertelde ze me dat ze bang was dat de Russen in één nacht het hele land zouden omsingelen en dat ze dan geen kant meer op kon en dat het slot op het land ging. Vandaag vertelde ze dat iedere familie in Letland wel een ontsnappingsplan heeft. Haar familie heeft verre familieleden in Duitsland en daar zullen ze heengaan mocht het zo ver komen dat het nodig is. Dat is niet zo gemakkelijk. Het is belangrijk te bepalen wanneer je moet vertrekken. Dan moet je doen als er nog niets aan de hand lijkt. Als het slot erop gaat dan is het te laat. Ze gelooft trouwens niet dat de NAVO veel strijd zal leveren om haar land. Als de Russen beloven niet verder dan Polen te komen dan gaan ze geen oorlog voeren weet ze. Haar broer kocht onlangs op E-bay een machientje uit het leger waar je zelfs zeewater mee kan zuiveren en het daarna kan opdrinken. Hij is al voorbereidingen aan het nemen zegt ze.

15-03-2015

Ik verlegde mijn ziekbed naar Tallinn in Estland. In een houten huis achter het station kwam ik bij van de griep. Het bezoek dat ik had wist mij op natuurlijke wijze weer de oude te laten worden. Zo kwam het dat ik twee avonden achter elkaar met een pan onder mijn neus onder een laken zat. In de pan zaten gedroogde  bloemen en mintbladeren in kokend heet water. Ik diende de damp uit de pan snel in- en weer uit te ademen. Met een bezweet hoofd viel ik twee avonden achter elkaar in slaap. Vandaag voelden de stappen zekerder dan gisteren en de hoest leek van minder diep te komen. Het ademen lukte zonder er moeilijk bij te kijken.

12-03-2015

Ik ging vandaag voor het eerst in twee dagen de deur weer uit op advies van mijn broer. Die zei ga even de zon in man. De eerste stappen waren duizelig maar hoe verder ik de straat inwandelde hoe steviger mijn benen aanvoelden bij het neerzetten. Ik dronk koffie en las in Gerbrand Bakker op een bankje aan de Kinkerstraat. De zon recht op mijn gezicht. Een man met een regenjas van Inter Milan aan liep langs en zei dat hij het een heel lekker zonnetje vond. Na een bladzijde of zestig en net voordat de zon zou verdwijnen achter een woonblok liep ik naar de visboer. Heek kostte 2,50 en een lekkerbek 1,50. Maar heek is lekkerder en heeft geen graatjes zei de visboer. Doe maar heek zei ik. De visboer zette thee. In twee glazen stopte hij twee takjes. Doe je daar nou rozemarijn in vroeg ik. Nee dat is shiba ken je dat niet antwoordde hij. Nee zei ik. Hij plukte wat blaadjes voor me en zei dat ik het met mijn vingers kapot moest wrijven en moest ruiken. Hij pakte een blik van een schap en zei dat hij drie klontjes nam en liet drie klontjes in het glas vallen. En mijn broer neemt ook drie klontjes en liet in het andere glas ook drie klontjes vallen. En morgen samen naar de tandarts zei ik. Nee zei hij en liet zijn tanden zien. Bijna vijftig en nog al mijn tanden. Het is winterthee en die drinken we tot in april om warm te worden zei de visboer. Vanaf april drinken we muntthee om af te koelen. Ik wees naar buiten en zei dat de zon scheen en dat hij geen winterthee meer hoefde te drinken. Jawel man zei de visboer. Als de zon weg is is het weer koud en hij wees naar mijn winterjas. Die heb je ook niet voor niets aan jongen. Op de terugweg kocht ik een bloemkool om ’s avonds heek met bloemkool, tomaat en komijn te eten. Toen ik het trappenhuis naar mijn woning weer had beklommen was ik helemaal bezweet. Niet van de hitte, ook niet van de thee, maar van de griep die – hoopte ik – in rap tempo uit mijn lichaam aan het vertrekken was maar dat niet geruisloos wilde doen zonder me andermaal hondsberoerd te laten voelen.

11-03-2015

Ik lig inmiddels 21 uur lang in bed. De hoest is afgenomen. Maar bij iedere beweging die ik buiten de grenzen van mijn bed maak, om een glas water te pakken of een rol koekjes, keert de hoest terug. Het duurt dan telkens weer een kwartier voordat de hoest afneemt. Ook ik ben geveld door de griep. Spierpijn, keelpijn en problemen met ademen. De wat fijnere variant van griep. Draaglijker dan buikgriep. Gelukkig. Ik zal er zo uit moeten om naar de winkel te gaan en wat te eten te halen. Want ik heb honger. Thee met honing sms’te een vriend. Verse gember in lauwwarm water mailde een ander. Na die wandeling naar de supermarkt zal ik weer minutenlang gaan hoesten.

09-03-2015

Ik liep door de Hermitage langs de portretten van regentenen en schutters uit de 16e en 17e eeuw. Wat opviel was dat de portretten door een handjevol schilders zijn geschilderd. Niet zo lang geleden ging ik met mijn gehele familie op de foto. Ik vind dit soort familiefoto’s niet heel erg verschillen van de stukken in de hermitage. Ook aan de kleding die wij dragen is een hoop af te lezen over rang en stand. Samen met de fotograaf had ik van tevoren rondgereden door de polder en over de dijk op zoek naar een plek waarop de familie mooi naar voren zou komen en tegelijkertijd iets zou zeggen over onze komaf. We vonden die plek. Het was al de derde keer dat de fotograaf en vriend een foto van onze familie nam. De eerste keer was een jaar of twaalf geleden. Hij heeft een hele normale naam maar is voor mij van eenzelfde waarde als de Pickenoys en Van den Valckerts uit zeventiende-eeuws Amsterdam.

23-02-2015

Ik stond in een woonkamer op elf hoog aan de randen van de stad dicht aan de ring. Op de tafel in de woonkamer lagen heel veel oude krantenknipsels naast mappen van de thuiszorg en rekeningafschriften. Stilleven van een man alleen. Op alle vensterbanken lagen medicijnen en ik zag door de kamer verspreid verschillende tasjes van de apotheek staan. In de leunstoel zat de man te roken in een joggingbroek en in de vloerbedekking zaten brandgaten en er lagen ingestorte askegels op. En toch was het overduidelijk zijn huis zijn huishouden. Ik zocht naar iets waar hij zijn trots uit kon halen. En dat was er. Als je beter keek zag je foto’s staan waarop hij krachtig was en nog kon winnen van iedereen. Je zou kunnen zeggen dat de man nu verloren had in deze staat of aan het verliezen was. Hij was de eerste die dat toegaf en dat maakte dat hij hij daar in die stoel wist te winnen van mij. Hij keek me lang en indringend aan alsof hij iets wist wat ook ik snel te weten zou komen.

07-02-2015

Ik zat in het café met uitzicht op het Centraal Station. Naast me werkte een vrouw op haar laptop. Buiten liep een stoet mensen met rode hesjes waarop stond dat bidden helpt. Zou ’t vroeg ik aan de vrouw naast me die er ook naar keek. Ze keek mij aan weer naar buiten en daarna weer naar mij en zei ja dat helpt ik word er altijd heel rustig van. Aha bidden als ontspanningsoefening zei ik triomfantelijk tegen haar. Mindfullness. Nee dat bedoel ik niet zei ze. Als ik bid dan weet ik tegen wie ik praat. Ik keek voor me uit en wist niet wat ik hierop moest zeggen en had ook geen zin om in een discussie verzeild te raken waar ik de ballen verstand van had. We gingen allebei weer aan ons werk. Uiteindelijk stond de vrouw op en deed haar spullen in haar tas. Net voor ze wegliep lachte ze naar me. Doeg zei ik tegen haar. Doeg zei ze terug. Ze deed de deur open ging erdoor maar stak haar hoofd nog heel even naar binnen en zei tegen me dat ik het gewoon een keer moest proberen. Wat vroeg ik. Bidden gewoon een keer doen zei ze. Met een grote glimlach op gezicht zag ik haar een paar tellen later aan de andere kant van de ruit haar fiets losmaken.

02-02-2015

Ik stapte de trein in Haarlem uit liep de trap naar beneden en trof een identieke situatie aan zoals het ruim een jaar geleden ook was. Mijn vriend die er prat op gaat geen vrienden te hebben liep wat heen en weer voor de Bruna en groette me met dezelfde woorden als vorig jaar. Ditmaal had hij een fiets bij zich en daarmee aan zijn hand wandelden we naar het grote plein van Haarlem. In een brasserie waar vroeger grote schrijvers hadden gedronken en gedanst gingen we zitten aan een tafel. Ik kroketten hij gebakken ei met de kaas erdoorheen gesmolten en bier voor mij. De vriend kon geen bier drinken want hij moest zijn zoon nog van school halen. Met sommige mensen verandert er niets als je elkaar lange tijd niet ziet. Deze vriend is zo iemand. Ik vroeg mij tijdens het gesprek meerdere malen af of ik er wel op tijd achter zou komen als hij dood zou gaan en of ik dan een uitnodiging voor de begrafenis zou krijgen van zijn vrouw die mij nog nooit gezien had en waarvan ik vermoed dat het ook nooit zal gebeuren maar van wie ik wel de groeten kreeg. En ook dat is goed. Zelf was hij met Google erachter gekomen dat een van z’n neukerdjes van vroeger was doodgegaan. Haar laatste baan was office manager van het een of ander geweest. Ik zocht wat verder en toen las ik dat ze dood was gegaan due to breast cancer daar moest ik wel even om slikken zei hij. Na de lunch wandelden we terug naar het station. Aan het plein kwam er zwarte rook uit een schoorsteen. Brand dachten we en sensatie misschien wel dode mensen. Dat gebeurt vaak hier in Haarlem met al die oude panden zei de vriend. Toen wij het opmerkten en opzichtig naar de schoorsteen gingen kijken kwamen er meer mensen staan. Uit het naastgelegen café kwam een meisje van de bediening gehold. O nee weer die buurman sprak ze niet gericht naar speciaal iemand en rende naar binnen. Achter ons stond een bouwvakker tegen de kerk aan te zeiken. Dat is brand dat zie je zo zei hij terwijl hij de laatste druppels uit zijn lul schudde en achterom keek naar afwisselend ons en de schoorsteen. Op de tweede verdieping zag ik een jongen met een baard naar ons kijken. Hij stond op en even later kwam hij met ongekamd haar zijn handen in zijn broekzakken op zijn sokken naar buiten gesjokt totaal onaangedaan.  Het is niks sprak hij verveeld. Het meisje van de bediening kwam ook weer naar buiten uit het café en zei tegen ons dat ze de brandweer al had gebeld. De jongen op de sokken zei dat die rook normaal was voor een houthaard. Hij had niet door dat hij de halve stad blauw van de rook zette of het interesseerde hem gewoon niet. En je weet zeker dat je er geen troep in hebt gegooid vroeg het meisje nog aan hem voordat wij een beetje teleurgesteld wegliepen. Zo wandelden we terug in de richting van het station en deden de belofte elkaar wat sneller te zien. Al zou dat waarschijnlijk niet uitmaken. We konden deo volente op deze manier nog wel even voort samen.

01-02-2015

Ik kreeg bezoek uit bekende kring. Het was ontroerend om te krijgen. Het was dezelfde die ik nog niet zo lang geleden klein als een knuffel in mijn armen had geweten. Ik droeg toen een blauwe pyjama. Het was ook confronterend: voor haar zou er nog veel veranderen de komende tijd omdat op die leeftijd dingen nu eenmaal veranderen of je nu wilt of niet. Ikzelf zou als ik wilde alles zo kunnen laten zoals het nu was. Enkel mijn lichaam zal veranderen het zal verweren als een standbeeld. Een standbeeld verandert niet meer nadat de beeldhouwer de allerlaatste hand eraan heeft gelegd. Dan doorstaat het regen kou schijtende duiven en pissende jongeren. Een pink kan afbreken een neus kan vallen maar er verandert niets. Verplaatsen zal niet helpen. Zelfs het wegnemen en omsmelten van dat beeld zal niks meer veranderen als het eenmaal op een dag af is verklaard door de beeldhouwer.

25-01-2015

Ik wist niet dat je ook wortelstampot kon maken zonder aardappels. Ik kocht bospenen. Sneed de groene kontjes eraf en hakte ze in stukken. Deed de stukken wortel in een pan en zette ze net onder water. Ik deed er een handje grof zeezout bij en vier tenen knoflook. Ik liet het een kwartier koken. Daarna goot ik het af deed er een flinke scheut olijfolie bij en stampte het door elkaar met de stamper. Aan het einde goot ik er nog een scheut yoghurt doorheen. Ik had een bord vol wortel. Op de wortel legde ik worstjes van de Turk. Die smaakten geweldig bij de wortels. Later op het voetbalveld tijdens de training kreeg ik honger. Daarom moest ik na de training thuis nog een keer eten. Hoewel het er dus als stamppot uitzag was het minder voedend. Ik denk wel dat ik het gerecht blijf maken en zal er dan brood bij serveren of wat rijst.

24-01-2015

Ik kwam de vrouw tegen die me in de bus van Vilnius naar Riga had verteld dat de chauffeur omriep dat de stop tien minuten zou duren en er tijd was voor koffie. Ik zag haar vier dagen later staan op het station van Jurmala in Letland. Jurmala ligt aan zee. In de winter zijn er hier veel Russen. Ik zag nog nog nooit een strand wit van de sneeuw. Het beviel me. De zee is altijd mooi zei de vrouw even later in de trein terug naar Riga. Op het station aten we soep in de stationsrestauratie. Ze geeft Engelse les op een kleuterschool en zal lerares worden omdat ze met haar studie Baltische filologie vast geen werk zal vinden in dat vakgebied. Ze wil lesgeven en dat het liefst op het platteland waar ze vandaan komt. Zo kan ze dicht bij haar ouders en haar zusje zijn. Zeven jaar geleden kreeg ze nog een zusje. Er moest wat gebeuren tussen mijn ouders vertelt ze en toen kwam zei en redde hun huwelijk. Op de markt van Riga verkocht een man die naast een brandblusser zat op een krukje vergrootglazen. Een oude vrouw die er een wilde kopen maar het nog niet zeker wist kreeg er van hem een in haar hand gedrukt. Hij beval haar de beveiligingsinstructie op de brandblusser te lezen. Iets daarvoor had ik een kop koffie gedronken op het station van Jurmala en gebruikte de vrouw van het café nog een telraam. De vorige nacht reed ik slee zonder slee. Een glooiend pad in het stadspark was helemaal bevroren. Op je schoenen kon je eraf glijden. Een jongen ging heel hard en aan het einde knalde hij keihard tegen een prullenbak.

23-1-2015

Ik stond bij een kampvuur op het Domplein van Riga met honderd anderen. Een oude man speelde op een accordeon. Soldaten hielden het vuur brandend. De mensen gekleed in het zwart zongen. De jongeren bewogen hun monden mee en bij ieder nieuw liedje kwam er meer geluid uit hun monden. Mij viel op hoe zacht en zangerig het Lets is. Pas toen begreep ik dat ik de afgelopen dagen omringd was geweest door de Russische taal. Op straat en op de markt is het voornamelijk Russisch wat je hoort hier. Ieder jaar verzamelen de mensen zich op dit plein om hun zingende revolutie te herdenken. Letten, Litouwers en Esten vormden met elkaar een ketting van honderden kilometers lang en verkregen zo uiteindelijk vrijheid. Door te zingen in hun eigen taal, niet in het Russisch. Ze zongen daine, liedjes over het leven en dat natuur die hier nooit ver weg is. ’s avonds vertelde de vrouw bij wie ik sliep dat het Letste leger welgeteld één tank telt. Ze zei dat ze nu vrij zijn om een Ryanair-vliegtuig in te stappen naar Eindhoven of Brussel maar dat alles in één nacht kan veranderen. Dan zit ze weer opgesloten in Letland. Over de inspanningen van de VS en de NAVO maakt ze zich geen illusies. Als het erop aankomt leveren ze ons in. Ze strelen de snor van de Rus om zijn honger even te stillen zei ze. Terug naar de mensen rondom het kampvuur en de accordeonist. Die zongen urenlang. Geef een Nederlander een accordeon en na twee of drie nummers is het repertoire op en wordt er overgegaan op altijd is kortjakje of de vogeltjesdans. Muziek waar het niet lukt om trots op te zijn. Maar is dat nou een vloek of een zegen dat we dat niet hebben?

22-1-2015

Ik liep in een overdekte vismarkt en kreeg het omgekeerd gevoel van heimwee. In Nederland is ook een markthal die heet De Markthal en staat in Rotterdam. Behalve dat het gebouw waarin die markt gevestigd is architectonisch mogelijk voor eigentijdse architecten iets betekent vind ik binnen in het gebouw alles nep. De Markthal is geen plek voor mensen met een kleine beurs. Echte markten zijn dat wel. Daar kun je zoals hier voor twintig cent een kopje thee kopen. En voor nog eens dertig cent een broodje erbij. Die eet je aan een stamtafel terwijl naast je een oude zwerver zijn hand in zijn zak doet en er een berg 1 en 2 centjes uithaalt en ook een kopje thee koopt. Toch zullen ze ook op de markt van Riga waar ik vandaag overheen wandelde van alles aan te merken hebben maar toch in mijn ogen ging er iets echts van deze markt uit. Iets waar Bol.com, Starbucks en Reinout Oerlemans nog geen grip of bemoeienis mee leken te hebben. En toen sloeg de vertwijfeling toe. Want ook dat is valse romantiek. Ik maak me ook geen illusies over omstandigheden waarin de koeien waarvan het vlees in de tientallen toonbanken ligt opgestapeld. Of over de Letse kippen. Hoe zou het ze vergaan zijn tijdens hun leven? En wie zouden die honderdduizenden stuks fruit en groenten hebben geplukt en in welke omstandigheden? En die muts die ik kocht Made in Poland volgens de verkoopster. Hij kostte 8 euro 95. Maar zou de persoon die ‘m maakte daar in Poland gelukkig zijn?

21-1-2015

Ik liep in een oud pakhuis waar aan het plafond draden hingen met daaraan kubussen waarop in tekst en beeld flarden van de levens van mensen stonden die in dit doorvoerkamp van Riga hadden gezeten of er waren omgebracht. Hier in die pakhuis voelde het allemaal heel kort geleden.

20-1-2015

Ik liep vandaag over een brug. Beneden in het water dreven ijsschotsen ze waren gelig. Op de schotsen stonden meeuwen. Hoewel het maar één graad onder nul was voelde het veel kouder aan op de brug. De wind is hier koud en je voelt dat hij uit gebieden komt waar het echt koud is. Terug bij de markthallen naast het station kocht ik een muts. Fifty percent wool zei de vrouw die hem verkocht. Ik heb nu een groene dikke wollen muts uit Letland.

19-1-2015

Ik las een geweldig verhaal in een Litouws boek met in het Engels vertelde korte verhalen uit een eeuw Litouwse literatuur. Ik las deze bundel terwijl ik met een bus van Vilnius naar Riga in Letland reisde. Buiten kon je door de mist die hier altijd lijkt te hangen tweehonderd meter voor je uitkijken. De aarde was droog en met een witte permafrost bedekt. Soms zag je een ijsvisser op een krukje zitten midden op een plas. Of een eenzaam huis met een rommelige tuin waar kapotte tractors stonden. Maar vooral niets, niet eens een licht glooiend of bebost landschap hoe dieper we Litouwen inreden. De vriend sms’te ik zei je toch dat Litouwen het tweede armste land van Europa is. Dit is zelfmoordland nummer één in Europa. Ik begrijp het nu. Maar gelukkig was de man in de verhalenbundel allesbehalve van plan om een einde aan zijn leven te maken. Het verhaal heette Rode Slippers. Een chique man vertelt over zijn liefde voor vrouwen. Hoewel getrouwd kan hij op een overvloedige lentedag zomaar eens gegrepen worden door een gevoel dat hem doet denken aan de jaren dat hij als student in Parijs woonde en studeerde. Het Parijs waar hij door de straten slenterde en naar vrouwen keek. Als hij in die staat verkeert dan kan zijn huidige woonplaats de Litouwse stad Kaunas voor hem aanvoelen als Parijs. Het knappe aan de schrijver is dat hij de man wel een voyeur laat zijn maar dat het nergens ordinair wordt. Hij kijkt op zo’n wonderlijk beschaafde manier naar alle vrouwen die voorbijkomen en beschrijft ze met gratie. Hij zou het nooit in zijn hoofd halen om verder te gaan met zo’n mooie vrouw dan enkel kijken fantaseren en heel soms een praatje. Met hun mee naar huis of zich opdringen en meevoeren naar een park dat doet hij niet al overweegt hij het wel maar hij vindt dat ordinair en hij houdt veel te veel van zijn eigen vrouw die ook mooi is volgens hem al begint hij er soms aan te twijfelen als hij lang uit haar buurt is. Terwijl hij op een congres boordevol mooie vrouwen is in Lausanne mist hij zijn eigen vrouw. Na een dag vol observaties van vrouwen komt hij moe en voldaan thuis in het hotel. In de foyer heeft hij een hele mooie Japanse gezien. Als hij zijn schoenen waar hij de gehele dag mee heeft rondgelopen uittrekt en buiten op de hotelgang voor zijn deur wil zetten om te luchten ziet hij dat er voor de deur tegenover hem rode slippers staan. Die moeten van de elegante Japanse zijn waarmee hij eerder op de dag een aangename wandeling door Lausanne maakte en die hij zonet nog in de foyer beneden zag. In bed twijfelt hij wat te doen. Op haar deur kloppen? Of misschien haar opbellen op haar telefoon in haar kamer? Die nacht droomt hij over duivels die hem prikken met hun hooivorken. De volgende dag in de ontbijtzaal – alle andere mannen behalve hij liggen nog te slapen – bekijkt hij alle vrouwen die er zitten te eten. Hij ziet ze binnenkomen en bekijkt ze en let nu op hun schoenen. Dan komt de Japanse eindelijk de ontbijtzaal binnen net zo gracieus als gisteren. Hoewel ze meteen weer de man zijn aandacht weet te grijpen zitten aan haar voeten niet de rode slippers. Dan ziet hij over een krant gebogen zitten een vrouw. Tussen het lezen door neemt ze soms een hap van een broodje. Ze is meer ontspannen dan de rest van de vrouwen. Die zijn tijdens het ontbijt al met paperassen in de weer omdat ze later die dag wat te doen hebben op de conferentie. Hij loopt naar de vrouw toe om een stukje krant van haar te lenen. En dan ziet hij dat het zijn eigen vrouw is die hem is gevolgd naar Lausanne. Aan haar voeten zitten de rode slippers. Dit is een eenvoudige weergave van het verhaal. Maar ik heb minutenlang gelachen na deze wonderlijke ontdekking. En hoe slim, en hoe vilein en hoe pasend de vrouw hem vertelt dat het haar verbaast dat hij opeens zoveel aandacht voor haar schoenen heeft. In Kaunas kan ze wel een dozijn nieuwe schoenen kopen maar dan valt haar man het nooit op. De man is betrapt.

18-1-2015

Ik at een sandwich met de vriend uit Vilnius bij dezelfde bar als waar we in de zomer buiten op het terras zaten. Nu waren de terrastafels opgeruimd en kon je alleen binnen zitten. De jonge barvrouw bediende ons opvallend streng. Bij elke bestelling die we plaatsten deed ze haar duimen in de lucht en zei ijzig cool. Zonder lach en zonder werkelijk contact te maken. Even later begrepen we waarom. Toen ik afrekende zei ze hortend dankjewel. Ah je kan Nederlands zei ik haar. Ze schudde met haar hoofd. Only a few words. Ik hoorde dat jullie Nederlands aan het praten waren zei ze. Altijd als ik Nederlands hoor dan verstijf ik helemaal. De jonge vrouw had een jaar in Groningen gewoond. Ze vond het er vreselijk. Redneckpeople vond ze. Terwijl ze dit vertelde ontdooide ze. Toen we haar in haar eigen taal gedag zeiden ontdooide ze helemaal. Van achter de ruit zwaaide ze nog een keer voorzichtig toen we langsliepen. Vrolijker.

17-1-2015

Ik bezocht een balletvoorstelling in het Nationale Theater van Litouwen. Een Sovjet-gebouw: grauw aan de buitenkant en veel hout aan de binnenkant wat het warmer maakte. De zaal zat vol met heel veel verschillende mensen. Veel ouders met hun kleine kinderen. In de foyer liepen opvallend veel jonge mannen en jonge vrouwen die zichzelf voordat de voorstelling begon voor de grote spiegels in de foyer met een aantrekkelijk zelfvertrouwen aankeken en hun handen nog maar eens door hun lange haren haalden. In de pauze liep de zaal uit naar de verschillende barren van het theater. Daar dronk je een klein espressokopje met gesmolten pure chocolade die de barman vulde uit thermoflessen. Het kostte 80 cent. Op de toonbank stonden witte kopjes op schoteltjes met aan de randen rode lipstick. Voor de grote spiegel in de foyer stiftten de vrouwen net voor begin van het tweede deel van de voorstelling hun lippen opnieuw vuurrood.

16-1-2015

Ik probeer me er een beetje blind en doof voor te houden al die rotberichten uit Parijs en uit België. Het is eigenlijk niet veel meer dan wachten totdat er in Nederland een bom ontploft of iemand wordt onthoofd denk ik. Maar ik probeer de media niet te volgen en even weg te zijn. In de grote winkelstraat van Vilnius bikten mannen in oranje hesjes plakkaten ijs van de stoepen af. Het regende vanochtend en de ijsplaten die nog vastzaten aan de stoepen na de dooi van de afgelopen dagen kwamen door de regen nu ook echt los. Mannen bikten het losser en andere mannen schepten het in een kiepwagen met oranje zwaailicht. In veel straten waren dit soort mannen de straten aan het schoonmaken. De jas moest vandaag wel dicht. Hoewel het boven nul was voelde de wind koud aan en maakte de regen het er niet aangenamer op. Een dag om binnen te zitten.

15-1-2015

Ik zat met de jas waarvan ik vermoedde dat hij niet warm genoeg was in het vliegtuig naar Litouwen. Naast me zat een Litouwer die in Den Haag woont. Ik kon mijn benen niet goed kwijt onder de stoel. In het Litouws zei hij wat tegen me. Ik verstond hem niet. Maybe you can ask for a place with more space for your legs zei hij. Nee het gaat wel zo antwoordde ik. We spraken de gehele vlucht waardoor het voelde alsof het heel snel ging. Vaclo werd geboren in Vilnius uit een Russische moeder en een Poolse vader. Hij ging in dienst waar hij zich specialiseerde in klein wapentuig. Later vond hij werk bij de post en bij de overheid. Toen hij al over de dertig was merkte hij dat hij niet verder kwam in Litouwen. Zes jaar lang solliciteerde hij op banen in het buitenland. Uiteindelijk nam een Weens bedrijf hem in dienst. En nu woont hij sinds zes maanden in Den Haag. Hij heeft nog geen fiets en hoewel hij Rotterdam kan zien liggen uit een hoog gebouw is hij daar nog niet geweest. Ik hoorde dat die stad heel modern is en daar houd ik niet van zei hij. In zijn geboortestad Vilnius had je één bar, één discotheek en één sauna maar die was voor bi’s mocht je het nog niet begrepen hebben ik ben en toen zei hij iets wat heel duidelijk was maar wat ik niet hoorde omdat hij alleen zijn lippen bewoog die een ronde vorm maakten. Hij vertelde dat zijn moeder het vast wel weet maar niet weet en dat hij het haar in dit leven niet gaat vertellen. Ze wordt zeventig en daarom ga ik haar opzoeken in haar kleine dorp in de Oeral. Ik neem haar daarna mee naar Den Haag. Ze heeft mij nog nooit in een eigen huis gezien. Een paar dagen maar en dan zet ik haar weer op het vliegtuig naar Moskou want dan begint ze weer over kleinkinderen. Ik antwoord haar dan dat ze al genoeg kleine kinderen heeft gezien in haar leven. Ze werkte haar hele leven op peuterzalen. Vaclo herinnert zich dat hij als kleine jongen graag de jurken van zijn moeder aantrok. Maar ik voelde me dan geen vrouw maar een hele mooie prins. Telkens als z’n moeder hem wilde fotograferen rende hij weg. Prinsen fotografeer je niet vond hij. Vaclo wil geen kinderen ook niet met een man samen zoals hij in Nederland heeft gezien. Zijn vader was niet betrokken bij zijn eigen opvoeding. Ik ben en dan weer dat woord dat alleen de lippen vormen en een kind heeft een vader en een moeder nodig als opvoeders. We namen afscheid. In Vilnius bleek de jas open te kunnen. ’s Middags zag ik moeder en dochter een ijshoorn eten.

6-1-2015

Ik ben verdrietig. De Napoletaanse bluesanger Pino Daniele is dood. Mijn aankomst en mijn vertrek en nog lang daarna begeleidde Pino mijn reizen, mijn vreugde, mijn verdriet. En nu is hij dood. En nu kan ik er niet meer heen. Samen met iemand. Vorige week ging Joe Cocker. Ik heb kort gezocht op internet maar amen traden ze nooit op. Wel met Eric Clapton. Maar die leeft nog. Pino Daniele zingt niet vaak in het Engels. Cocker vast weinig in het Italiaans. Dit nummer Uè Man! hadden ze samen kunnen zingen. Of misschien doen ze dat nu op dit moment al ergens anders.

5-1-2015

Ik heb een te dunne winterjas gekocht. In een dumpwinkel op het Waterlooplein heb ik een zogeheten Leidse duffel gekocht. Op internet las ik dat het jassen zijn die men in de sobere wederopbouwingsjaren na de oorlog in Nederland graag droeg. De jassen – voor zover jassen kunnen spreken – hebben niets schreeuwerigs. Eerder iets rustigs, behoudens. Ze hangen log om het lijf en de stof is stijf. Ik las op internet dat ze bij een regenbui rokerig gaan ruiken. Daar heb ik zin in. Ik stapte de winkel binnen. Eerst was ik op zoek naar een   lange leren jas met een bontkraag. Je bedoelt een lammie zei het meisje van de winkel terwijl ze houthakkersbloussen in een rek terughing die op de grond waren gevallen. Hoezo heten die lammies vroeg ik?  Lammies heten zo omdat ze met lamswol zijn gevoerd. Maar je moet wel even goed kijken want er zit een hoop synthetisch tussen zeg maar nepwol. Dat kun je zien door naar de stof te kijken. Nepwol is heel erg uitgekamd. Echte lamswol is veel bobbeliger vertelde ze. De enige lammie met bobbelige voering zat me te strak. En de mouwen hielden op daar waar je een horloge om je pols draagt. Ik keek in de spiegel drong voor bij een Chinees meisje dat zwarte laarzen paste en voelde me meteen een toneelschoolstudent – die dragen nu allemaal dit soort jassen. Ik schudde nee naar mezelf in de spiegel en had oogcontact met het Chinese meisje dat volgens mij dacht dat ik nee naar haar schudde. Ik wilde weer weggaan maar zag toen een donkerblauwe houtje-touwtje-jas hangen. Die paste perfect. Ik vroeg aan het meisje of ik er even mee naar buiten mocht lopen over de markt. Dat mocht. En hij heeft het nog niet eens door ook die gek hoorde ik een man hard tegen zijn vrouw zeggen toen ze achter me liepen. Ik had wel door dat er nog kaartjes aan de capuchon hingen maar ik besloot ze in de waan te laten. Terug in de winkel zei ik veels te koud tegen de meisjes bij de kassa. Die keken me met grote ogen aan en eentje zei er echt? Nee zei ik. Grapje. Dus jullie beloven dat ik met dit ding ook de kou in Litouwen kan trotseren? Ja ik denk het wel zei er een. Kom dat anders even vertellen als je weer terug bent zei een ander. Met de Leidse duffel in een plastic tas gevouwen liep ik de winkel uit. Vandaag deed ik ‘m voor het eerst aan. Ik ging ermee naar de markt. Terwijl ik kaas stond te bestellen merkte ik dat ik stond te bibberen. Koud hè zei ik tegen de kaasboer. Nou valt wel mee hoor voor januari antwoordde hij. Op mijn telefoon zag ik dat het 5 graden was. Dat zal wat worden straks daar in Litouwen.

4-1-2015

Ik was het nieuwe jaar nogal inactief ingegaan. Het oudejaarsfeest had mijn zopas opgebouwde ritme danig in de war geschopt en ik had er ook niet veel aan gedaan het tegen te houden. Ik heb me eraan overgegeven zonder verweer.  Aan het eind van de middag liep ik door het park met een vriend. Ook hij had last om op gang te komen. Maar dat maakt niet zoveel uit daar zijn deze dagen voor zei hij. Dat stelde gerust en maakte kalmer. Na twee biertjes vertrok ik weer naar huis. Thuis rommelde ik wat aan met muziek – ik neem de het beste lijstjes van de krant door – en een gitaar. ’s Avonds liep ik nog wat door de straat. Het was al donker en het begon te waaien. Op straat was niemand zover ik kon zien. Ik hoorde het openscheuren van een zak en zag dat een man stond te graaien in een aantal vuilniszakken met daarin oude kleren die naast de containers stonden. Hij stopte wat dingen in zijn fietstas en fietste weg. Hij had zowel voor als achter licht op zijn fiets. De man kon waarschijnlijk geen boete riskeren anders zou je ook niet in vuilniszakken staan te graaien. Morgen zou ik mijn wekker weer op het christelijke uur af laten gaan en proberen deze stukjes lopende te houden besloot ik.

19-12-2014

Vast geïnspireerd door Murakami’s verhaal over spaghetti van gisteren at ik vanavond spaghetti. Ik had eerst twee bier gedronken en de krant gelezen in het café. Bij binnenkomst in dat café zat er oude collega en onze paden hebben zich al enkele malen gekruist. Ik ben altijd op mijn hoede als ik hem zie. Nog niet lang geleden in Napels onthield ik hem het nummer van mijn ex-vriendin die hij wilde interviewen voor zijn boek over Napels. Ik vond dat hij zelf maar een netwerk moest opbouwen als hij zonodig in Napels moest gaan wonen. Maar het kon ook zijn dat ik gewoon jaloers was dat hij een boek schreef over Napels en dat ik daar nooit aan toe was gekomen. Maar goed hij moest bij mijn ex uit de buurt bijven. Hij zat aan het voorste tafeltje in het café. Hij hield mij aan. Mijn meisje werkt hier. Nou ja mijn meisje mijn vriendin. Nog niet zo lang hoor maar ze is de directeur van dit theater hier zei hij. Mannen van zestig die het over vrouwen hebben van achter in de vijftig en ze mijn meisje noemen. Ik weet het niet. Goed. Krant uit en door naar de supermarkt. Pak spaghetti blik tomatenblokjes en een zak diepvriesmossels vermengd met die gore surimi’s die op brokken zuurstokken lijken en ook zo smaken en nog wat bleke garnalen. Ik rekende af bij het kassameisje die een bijna onzichtbare beugel had en bij het naar buiten lopen zag ik de roddelbladen staan. Is Beatrix eenzaam? stond er op de voorkant van zo’n tijdschrift. Ja, haar man is dood. Al lang. En ze is oud. Natuurlijk is ze eenzaam. Thuis viste ik de surimi’s uit de verpakking en gooide ze in de prullenbak. Met het restant maakte ik mijn spaghetti en at het alleen op. Op een postzegel die ik vanmiddag op een kaart plakte stond het hoofd van Willem-Alexander. En dat hoofd zat nu helemaal alleen op een nog lege witte envelop. Op een dag zou ook hij eenzaam zijn.

18-12-2015

Ik bestelde een cappuccino in het nieuwe leescafé. Eigenlijk wilde ik helemaal geen consumptie bestellen maar de naastgelegen bibliotheek was nog dicht. Ik moest nog drie kwartier overbruggen voordat ik naar binnen kon en besloot wat tijdschriften te gaan lezen in het café. In National Geographic stond een mooi verhaal met nog mooiere foto’s over verschillende plekken op aarde waar men samen voedsel nuttigde. Mensen zaten rondom tafels op allerlei plekken in de wereld. In dat stuk een quote van de schrijver Murakami. Die schreef eens een kort verhaal over een man die een jaar lang van zondag tot zaterdag spaghetti at, alleen. Ik vroeg het meisje aan de balie of ik een glas water erbij mocht hebben. Ja daar zei ze en keek verveeld naar een hoek van de toonbank achter de espressomachine. Ik liep om de toonbank heen en zag een kan staan met daarin een bodempje water waar bovenop bruin geworden blaadjes munt en schijven sinaasappel dreven. Dat is voor mij geen water zei ik. Het meisje keek haar collega aan en met een verveeld gezicht pakte ze een glas en deed de kraan open. Ze hield de beker eronder en gaf zonder mij aan te kijken de beker aan mij. Ik vond niet dat ik iets verkeerd had gedaan ging zitten en las verder in het stuk over het nuttigen van voedsel samen. Ik zag dat ze tegen haar collega haar beklag deed over die vervelende klant van zojuist die per se water uit de kraan wilde. Ik las verder en las dat het voor Mexicaanse vrouwen belangrijk was om de juiste bereidingswijze van een maïsgerecht te respecteren. En dat raakte aan het meisje achter de toonbank. Zij had ook mijn glas water moeten respecteren. Haar verveelde gezicht sloeg nergens op.

14-12-2014

Ik speelde in een toneelstuk. Ik heette Don en de reacties naderhand waren aan de lauwe kant.In het café beneden naderhand was het druk. De ouders, vrienden en familieleden van de spelers waren allemaal gekomen en borrelden in het café. De meisjes achter de bar konden de bestellingen nauwelijks aan. Ik heb een kwartier gewacht op een cappuccino, twee biertjes en een cola. Normaal als er geen toneelstukken staan geprogrammeerd is dit een heel rustig café. Het trekt wat eigenaardige mensen uit de omgeving. Vloekend liep de man die er bijna iedere dag komt door de zaak. Hij heeft altijd een laptops aan zijn schouder hangen. Grijze krullen. Een dikke buik en een varkensneus. Normaal gaat hij met een glaasje spa met een zwart stampertje citroen en ijsblokjes aan het hoektafeltje zitten. Aan dat wat hij als zijn hoektafeltje beschouwde zaten nu de familieleden van een van de acteurs. Hij beende er op af ging aan de tafel staan en zei hard godverdomme stelletje hufters. De familie was zich van geen kwaad bewust. Jullie zitten op mijn plek stelletje hufters zei hij nog een keer. Toen ging hij aan de bar zitten. Daar bleef hij zitten. Toen het wat rustiger was in het café en ik ging afrekenen liep ik nog even naar hem toe. Ik wilde peilen of de man zo onredelijk was als dat ik vermoedde. Wat was dat daar nou net in die hoek vroeg ik. Hij begon te zweten. Zijn gezicht werd roder en hij keek me heel boos aan. Stelletje hufters ze zijn op mijn plek gaan zitten. Ik kreeg spuug in mijn gezicht. Ik deed een stap achteruit draaide me om en ging weg. De blik die hij in de ogen had maakte iedere volgende opmerking een zinloze. De volgende dag speelden we weer. Lauwe reacties. De bar stroomde weer vol. De man met de laptoptas baande zich met een kwaad hoofd een weg door de menigte richting zijn tafeltje waar nu weer een familie uit de andere hoek van Nederland aan de chocolademelk met appeltaart zat. Vanuit de andere kant van het café zag ik dat hij een er allerliefst uitziende oma uitfoeterde die normaal nooit in het café komt maar er nu speciaal was voor haar kleinzoons toneelstuk. De vrouw reageerde alleraardigst wijs geworden door het leven en zag snel in dat er met deze man niet echt te praten viel. Ze schikte wat in en vroeg wat mensen op te schuiven. En zo kon het briesende beest plaatsnemen tussen twee families in maar wel op zijn eigen stoel in zijn hoekje van het café. Met een bezweet hoofd zat hij in zichzelf te mompelen. De barvrouw bracht hem zijn spa met stampertje citroen en ijsblokjes. En even laten een bord met daarop een halve kip en patat. Want dat eet hij hier altijd op zondag. Zijn armen veel te dichtbij zijn grote lijf en zijn handen moest hij in een haakse hoek zetten om in zijn kip te kunnen snijden. En zo zat er zondagmiddag een man in wie een briesend beest schuilde een halve kip te eten temidden van allemaal aardige mensen die aan het kletsen en drinken waren. Het vet droop van zijn kin.  Zoals hij aan de bar had gezeten met dat spa’ tje rood ogenschijnlijk rustig. En dat ik hem vroeg wat dat nou net was. Ik zag die knop toen in hem omgaan. In een fractie werd hij een briesend beest. Een acteur zou er veel van kunnen leren. Behalve dat het bij deze man niet gespeeld was.

10-12-2014

Ik liep terug naar mijn huis met een croissant met kalkoenham van de Marokkaanse bakker in mijn hand. Op het grasveldje dat eigenlijk het dak is van een ondergrondse parkeergarage stond een jongetje in zijn blote kont. Zijn broek zat ter hoogte van zijn enkels. Zijn vader zat op zijn knieën naast hem. De vader plukte stukken gras en veegde er de billen van zijn zoontje mee schoon. Iets verderop liep een man met een baard met vijf hondjes. Een hond kakte op de stoep. Uit zijn zak haalde hij een plastic zakje. En terwijl hij de stront van het ene hondje opruimde begon een andere hond te kakken. De croissant smaakte niet zo best. Het was te dik belegd. De ham overheerste.

07-12-2014

Ik was weer in de stad van de hoge gebouwen. Ik wandelde door het gedeelte dat Het Oude Noorden heet. Een man stond met zijn dochtertje stil op een houten brug over de Noordsingel. Voor hem versperde een tiental ganzen de voetbrug. Zijn dochtertje durfde niet verder te lopen. De dieren hadden gezamenlijk besloten de man en zijn dochtertje er niet door te laten. Aan de overkant van de brug stonden zijn vrouw en hun zoontje in spanning te wachten. Blijkbaar was de familie al eerder opgesplitst en moeder vast wat vooruit gelopen. Vader stond te treuzelen – of hij schatte de risico’s in – midden op die brug en het dochtertje wilde omkeren. Maar hij had een plan. Hij tilde het meisje op en zette haar op zijn nek. In grote passen liep hij op de ganzen af. Die weken echter geen centimeter. Hun lange nekken reikten naar de voeten van het meisje die ter hoogte van vaders borst hingen. Het meisje huilde en de moeder stond met een hand voor haar mond te kijken. De vader liep door en terwijl hij met zijn linkerarm het meisje op zijn nek hield door haar bij haar knie vast te houden zwaaide hij gevaarlijk naar de koppen van de ganzen met zijn vuist. Die ganzen begonnen ook richting zijn vuist te happen. Bij een gans ging hij op zijn oranje flipper staan. Die gans schoot achteruit. En toen was het gevecht over. Vader en dochter waren er doorheen gebroken. Hij tilde haar van zijn nek. De man,de vrouw en hun kinderen wandelden verder. Het meisje snikte nog een beetje en liep nu weer aan vaders hand.  De ganzen gakten heel hard alsof ze het gat in hun defensie aan het bediscussiëren waren en een schuldige wilden aanwijzen. Wie had zich niet aan het systeem gehouden? Ze liepen druk heen en weer voor de brug. Aan het begin van de voetbrug was inmiddels een nieuwe indringer gesignaleerd. Een oude vrouw met een hoofddoek en een fiets aan haar hand. Aan het stuur een plastic tas van de supermarkt. De ganzen besloten haar met rust te laten en lieten zich één voor één op hun buiken gebruikmakende van het schuin aflopende gras de singel in glijden en vervolgden net als ik hun weg.

05-12-2014

Vandaag had ik drie ontmoetingen met mensen die iets deden wat ik nog nooit gezien had. Ik fietste door Nigtevegt dat geheel volgens verwachting bestaat uit villa’s en designwoonboten langs de Vecht. Maar Nigtevegt heeft ook een nieuwbouwgedeelte met straten die eruitzien als ieder dorp in Nederland. Je zou in Alphen kunnen zijn, in Emmeloord, in Huissen, in Boskoop. Net voor in die nieuwbouwwijk wilde inrijden op mijn wielrenfiets ging de ophaalbrug over het water dicht. Voor me zat een man op een brommer. Hij deed zijn helm af en stak een sigaret op. Ik ging naast hem staan en zei hoi. Hij zei niets terug. Ik keek hem aan en zei nog een keer hoi. Hij zei hoi terug. Ik moest vanochtend ook al wachten zei ik. Hij zei iets terug wat ik niet verstond. Oh je spreekt geen Nederlands zei ik. De man wees met zijn handen naar zijn oren en zei ik ben doof. O sorry zei ik en tegelijkertijd dacht ik waarom zeg ik nou sorry. Maar je kan m’n lippen wel lezen hè zei ik tegen hem. Hij lachte en zei ja. De brug ging weer open. Zijn sigaret was op en hij startte de motor en reed langs me. Hij stak zijn arm op. Een dove op een brommer. Dat gaat hier tussen de weilanden nog wel. Er is weinig verkeer en het verkeer dat er is zie je meestal van ver al aankomen. Zouden er in de stad met haar stegen parkeerplaatsen zijstraten en taxichauffeurs ook doven op scooters rondrijden? Ik fietste de brug over door de nieuwbouwwijk van Nigtevegt heen en even later over het fietspad met links het Amsterdam-Rijnkanaal en rechts de weilanden. Door een verhoging kun je het water in het kanaal niet zien. Wel schoven er grote containers van de firma Maersk langzaam voorbij. Niet het schip maar wel de containers die erop stonden staken boven het dijkje uit. In de verte liep een jogger. Toe ik dichterbij kwam zag ik dat hij een stok in zijn hand had. Hij had oordopjes in. Bij het inhalen zei ik hallo tegen ‘m. Hij stopte met rennen en keek verdwaasd om zich heen. Ik stopte. En zwaaide. Ik fietste net langs je en zei hallo riep ik van een afstandje. Hij bleef verdwaasd om zich heen kijken. Hij zocht naar waar het geluid vandaan kwam. Toen zag ik zijn ogen – de ogen van een blinde. Ogen zonder focus. Ik wachtte tot hij weer op mijn hoogte was.  Stoer van je dat je gewoon gaat rennen zei ik. Terwijl ik dat zei dacht ik wat is dat een kutopmerking. Voor die man is het waarschijnlijk heel gewoon, niets bijzonders. De man zei oh ok bedankt. Hij zei dat hij verder zou rennen naar het centrum van Weesp en dat hij van het zwembad kwam. Hij had een rugzakje op zijn rug. Hij rende verder en stak de stok als een lans voor zich uit. Ik fietste de brug het Amsterdam-Rijnkanaal over. Aangekomen in Diemen was een jongen in een blauwe overall de verkeerslichten aan het poetsen en ook de paaltjes met het drukknopje erop. Hij zei dat ze die palen in de zomer altijd inspoten met een spulletje en dat ze het pas bij vorst er weer af konden halen omdat het spulletje dan hard werd en makkelijk weg te vegen was. In de trein ’s avonds naar Rotterdam zei een dronken man tegen een dakloze die om een bijdrage vroeg dat hij de kanker kon krijgen omdat de dakloze weigerde zijn 5 cent op te rapen die hij op de vloer gooide. Eigenlijk was dat ontmoeting vier. Ik had een alcoholist nog nooit een dakloze de kanker horen wensen.

02-12-2014

Ik kreeg een wit overhemd aangetrokken in een leegstaand tuincentrum in Haarlem. Ik figureerde in een film die in het najaar van volgend jaar in de bioscoop komt. De hoofdrolspeler liep ook door het tuincentrum. Een paar keer zocht hij de wc op. Meestal zat hij alleen en prevelde met dichte ogen zijn tekst. Een paar keer liep hij langs me. Zijn ogen priemden in het voorbijlopen. Geen hele vriendelijke ogen. Maar het was me onduidelijk of hij zo keek omdat het bij zijn rol hoorde of dat hij strontchagrijnig was of omdat hij gewoon altijd zo kijkt of dat het mijn projectie was en hij gewoon vrolijk was. Zo schrijvend denk ik nee hij priemde. Hij keek mensen indringend aan niet met nieuwsgierigheid maar met het oog van iemand die je kop van je romp gaat slaan. Ja zo keek hij. Later die dag zou hij nog een keer hard ja jij daar tegen mij roepen van een afstand omdat er een figurant nodig was wiens schaduw gefilmd moest worden. Naast hem stond ook een jonge actrice. Zij kwam na het shot naar me toe en zei begripvol dat ik het ook niet kon weten. Dat ze altijd ook de schaduwen moeten filmen als alles al opgenomen is en dat acteurs daar een bloedhekel aan hebben. Ze keek er verveeld bij. Buiten naast de lamp met een diameter van twee meter die het deed lijken alsof de zon scheen buiten van binnenuit gezien terwijl het buiten allang donker was zei het meisje van de figurantenkleding dat ze zo min mogelijk probeerde te werken. Ik wil geen echt werk hebben zei ze. Ik woon in Andalusia met mijn man. We hebben een boerderij opgeknapt.  Soms ben ik hier in Nederland om even te helpen. Ze wilde geen echte baan in de filmwereld. Ze trok er een vies gezicht bij. Toch had het de hele dag geleken alsof ze haar werk wel leuk vond. Ze mocht jongens van straat geplukt zoals ik zwarte pakken aantrekken en schoenveters strikken en met een vochtig doekje de schoenen oppoetsen. Met die jongens hield ze praatjes.  Soms terwijl we wachtten op de set liep ze langs en dan stopte ze met haar handen een overhemd verder je broek in of ze streek even over je rug heen om een plooitje glad te strijken. Dat was haar taak. Dingen in de gaten houden zodat uiteindelijk in de bioscoop niet te zien zou zijn dat we allemaal eigenlijk bij elkaar geraapte zooitjes droegen die ’s middags nog in grote kledingrekken in een bouwvallig oud tuincentrum dat kortstondig was omgebouwd tot basiskamp aan hangertjes hadden gehangen. In films zitten stropdassen vaak met speciaal plakband op het overhemd vastgeplakt. Daarom zie je in films bijna nooit dassen scheef zitten zoals ’s ochtends in de trein. En als ze wel scheef zitten dan hoort dat zo of hebben meisjes zoals het meisje uit Andalusia niet goed op zitten te letten. Dat krijgen ze dan later van het hoofd grime of kleding te horen. Maar als ik het goed heb begrepen zou dat dit meisje niet deren want ze wilde niet echt werken in de film en was veel liever bij haar Hollandse vriend in het boerderijtje in Andalusia. En ondanks dat deed ze haar werk goed en lachte ze veel en dat leek gemeend.

28-11-2014

Ik bracht vandaag de vriend met de koffers naar de tram. We rookten tijdens de wandeling een laatste sigaret.Hij stapte de tram in ik zei heb een goeie reis en toen ging de tramdeur dicht. Ik riep nog snel wat regels uit een lied dat we die dag hadden geluisterd en onze eigen versie op hadden gemaakt zoals we doen sinds we elkaar leerden kennen op school. We lachtten. Toen reed de tram weg. De tijd ging voorbij. Ik werkte. Ik kocht lamsvlees bij de Turkse slager. Belde een andere vriend voor de juiste bereidingswijze ervan. Je moet wel weten welk deel van het lam je hebt gekocht omdat de kooktijd nogal verschilt zei hij. Sommige delen kun je braden en sommige moet je stoven. Ik zei dat de slager had gezegd dat ik het in dunne plakjes moest snijden en dan een kwartier moest bakken. Een kwartier dat lijkt me niet zei de vriend. Als het in dunne plakjes gesneden moet worden dan hoogstens een paar minuten zei hij. Hij kreeg gelijk. Ik sneed het vlees in dunne plakken bestrooide het met peper deed wat olie in de pan en bakte beide kanten op hoog vuur bruin. Een minuut per zijde. Ik snipperde een ui boven de pan en liet die nog drie minuten meebakken. Ik deed de rijst en paprika van de vorige dag erbij en toen zat ik me toch heerlijk te eten. Ik keek op de magnetronklok die een uur achterliep en dat blijft doen totdat de tijd weer verzet wordt. De vriend met de koffers zou nu allang aangekomen zijn in Kopenhagen. Ik bedacht me hoe hij zijn vriendin zou omhelzen en hoe zij hem terug zou omhelzen. Op mijn kamer had hij een pakje sigaretten achtergelaten met nog een paar sigaretten erin. Ook lagen er tasjes van de Zara, de Hema en papier dat om een jeneverfles had gezeten. Hij had nog snel inkopen gedaan voor zijn vertrek. In zijn koffer zaten cadeaus voor zijn eerste kerst met zijn nieuwe schoonfamilie. Hij zei dat de vader op een echte Deen leek met een houthakkersblouse en een snor. Ik kon me er iets bij voorstellen.

26-11-2014

Ik moest nog een half uur overbruggen voordat een vriend aankwam op het Centraal Station. Zoals wel vaker ga ik dan even zitten bij het café dat recht tegenover het station zit. Ik schreef ik hem in een bericht: Café pal recht tegenover cs. Ik nam plaats aan de tafel van schrootjeshout. Het mooie meisje van de bediening kwam aan tafel. Ik bestelde een thee. Toen ze wegliep keek ik haar na. Ze keek om en onze blikken kruisten elkaar. Ik keek naar het tijdschrift voor me en zag uit een ooghoek dat ze terug kwam lopen.  Je keek een beetje alsof er iets niet klopt zei ze. Nee klopt allemaal zei ik en keek snel weer naar het tijdschrift en heb verder niet meer naar haar gekeken. Ze was er denk ik niet van gediend. Of wel maar dan begreep ik het signaal niet. En ik vond het wel weer genoeg moeite voor vandaag. Toen zag ik de vriend aan komen lopen met een rugzak op zijn rug en twee koffers. Hij zag eruit als een toerist uit Denemarken. Hij zag mij zitten en kwam het café binnen. Ik moest wel even zoeken naar Café Pal zei hij. Zo heet het dus helemaal niet. Na wat pils wandelden we met allebei een koffer over de Zeedijk. Het miezerde. We aten pasta in een tentje dat eruitzag alsof de pasta er lekker was. Dat was hij niet. En het kostte het dubbele van wat er op de ruit geschreven stond. Geen 5,95 maar twaalf euro. De stad zit vol met zaken die eruitzien alsof dingen er lekker zijn maar het uiteindelijk niet zijn en ook nog eens duur zijn.

14-11-2014

Ik wilde mijn fiets pakken maar ik zag dat hij er niet meer stond. Er lag alleen nog een stukje van de sluiting van de ketting. Gejat dus. Gaat u een stukje richting Overtoom vroeg ik aan de chauffeur van een tram waarop in gele letters stond dat het de laatste rit was.  Hij draaide zich niet om uit zijn glazen hokje maar zei iets onverstaanbaars recht voor zicht uit. Wat zeg je vroeg ik. Ik versta je niet. Weer keek hij recht vooruit en zei iets onbegrijpelijks. Sorry ik versta u niet kunt u zich misschien even omdraaien in uw stoel. Hij draaide zich om en zei dan niet joh en deed de deur dicht. Ik stond nog buiten. Daarna reed hij weg. Dankjewel zei ik de tram na. Lijn 1 moest gelukkig toch nog vertrekken – dat bleek. De rit begon veelbelovend want de vrouw die in het hokje halverwege de tram zat zei vrolijk goedenavond. Er kwamen drie jongens met capuchons op binnen. Ze groetten de vrouw in het hokje en haalden hun chipkaart opzichtig juist niet langs de paal. Een van de jongens vroeg aan een Deense toerist of de vrouw tegenover hem zijn vriendin was. Hij schudde van nee en zei dat ze collega’s waren. De jongens hadden blikken bier in hun hand. But she likes you zei de jongen. Een andere jongen met een capuchon en een blik bier in zijn hand ging op het randje van haar stoel zitten en met zijn mond heel dicht naar haar nek toe. De Deense jongen zei niks en keek net als ik wat glazig voor me uit. Go away zei het meisje. Doe normaal zei de jongen die met de Deense toerist sprak en duwde zijn vriend met capuchon weg. Hij wilde nog met hem verder praten want hij vond dat de Deense toerist met de vrouw moest gaan neuken die tegenover hem zat. In een monoloog legde hij dat uit waar zij gewoon bij zat. Bij het Koningsplein liepen ze weg haalden hun chipkaart heel opzichtig niet langs de paal. Dag mevrouw zei er een tegen de vrouw in het hokje. Ook de man ging weg. Hij groette zijn collega. Ze zei bye en keek hem verder niet na terwijl hij wegliep. Toen kwam er nog een jongen binnen met een pet waar ghetto op stond. Hij ging achterin zitten, Hij had een kartonnen zak met eten in zijn hand. Hij kloof op kippenbotjes en gooide ze in de hoek van de tram. Daarna pakte hij een soort wrap. Hij nam een paar happen en gooide ook de wrap in de hoek. Toen de deur van de tram openging vouwde hij zijn kartonnen zak dubbel en gooide de zak naar buiten. Hij bleef zelf zitten. Een Italiaan die vaker op deze tram reist en met wie ik dan weleens praat zei tegen me dat ze dat zo hoorde. Na het eten ruim je netjes de tafel op. Hij lachte. Uit zijn tasje dat om zijn nek hing haalde de jongen die uitgegeten was een nat doekje. Dat vouwde hij uit en ging ermee zijn vingers schoonmaken. Dat doekje gooide hij in de hoek. Toen haalde hij uit het tasje een tandenstoker. Hij ging zijn tanden schoonmaken zonder het af te schermen met zijn hand en gooide ook de stoker in de hoek. Er begon zich al een mooi bergje te vormen met zijn spulletjes. Toen hij daarmee klaar was spuugde hij drie keer een witte fluim op de ruit. Met zijn persoonlijke verzorging zat het wel goed. Het was een heerlijk thuiskomen. Goedenavond zeiden ik en de Italiaan tegen elkaar toen ik uitstapte bij de sluis. Het was een heerlijke avond geweest. Morgen een fiets kopen.

10-11-2014

Ik zag de Russische film Leviathan is de bioscoop. In de film zegt de hoofdpersoon – een man die door een projectontwikkelaar wordt dwarsgezeten en uiteindelijk geliefde, zoon en huis kwijtraakt – een aantal keren verspreid door de film dat je iemand goed bij z’n ballen moet grijpen en zachtjes moet trekken. De hoofdpersoon zelf heeft de complete film lang een bankschroef om zijn ballen geklemd zitten. Als je denkt dat zijn leven niet meer kutter dan wordt het nog kutter. Eigenlijk gaat die hele film over het grijpen naar ballen en er dan aan trekken en erin knijpen. Sommige mensen grijpen eerder naar ballen dan andere mensen. De mensen die grijpen winnen. Tijdens de film moest ik denken aan een voorval een jaar of 15 geleden. Ik trainde iedere week twee keer bij de voetbalclub in het dorp waar ik opgroeide. Op de training kreeg ik ruzie met Rob. Waarover weet ik niet meer. Wat ik nog wel weet is dat ik na de training onder de douches vroeg of ik zijn zeep mocht lenen. Nee dat mag jij niet antwoordde hij. Daarna gaf hij de fles wel aan teamgenoten die ook stonden te douchen. Hij zette de fles naast zich neer op de grond en ging zijn haar wassen. Ik pakte de fles op en deed wat douchegel op mijn hand. Hij keek me een paar tellen aan stapte op mij af en sloeg de fles uit mijn handen. Met zijn rechterhand greep hij mijn ballen vast en duwde me de hoek van de doucheruimte in. Doe dat nooit meer zei hij zachts terwijl hij me aankeek. Sodemieter op zei ik. Hij kneep harder. Zeg dat je dat nooit meer doet zei hij harder. Rot op Rob laat los riep ik verkrampt. Hij kneep nog harder. Ik doe het niet meer zei ik zacht. Voordat hij eindelijk losliet gaf hij nog iets meer kracht met zijn handpalm en keek me strak in mijn ogen aan. Zwijgend heb ik me daarna afgedroogd en ben naar huis gefietst. Ik kan me niet herinneren dat we daarna ooit nog ruzie hebben gehad. Zijn douchegel heb ik daarna wel gewoon weer mogen gebruiken.

08-11-2014

Ik heb nog geen nieuwe fiets gekocht. Mijn fiets staat total loss staat nog steeds op het station. Ik nam lijn 1 haalde de pas langs de paal en ging achterin zitten. Daar zaten twee jongens met elkaar te praten. Allebei aan een kant van het gangpad. Ze hadden het over kickboksen. De ene jongen liet de ander een foto zien op zijn telefoontje. Hij was vroeger sukkeltje. Niet mongooltje maar sukkeltje zei de jongen die de foto bekeek. De jongen van de telefoon antwoordde dat hij gewoon normaal was vroeger. Een normale. Vier jaar trainen en al internationale wedstrijden zei de ene. Ja maar wel serieus hè zei de jongen van de telefoon.  Ik ga ook serieus nemen man zei de ander. Anders word ik dik net als Moussa. Hij had gezicht met acne maar zijn spijkerbroek verraadde gespierde bovenbenen. De tram stopte op het Koningsplein. De jongens stapten uit. Vanavond gingen ze samen naar een wedstrijd kijken om half negen in een hal. Ze haalden hun chipkaart niet over de scanner voor het uitstappen. Dit soort jongens zie ik eigenlijk nooit betalen in de tram. En ik heb het voorgevoel dat als ik het nog een paar keer zie gebeuren ook ik ga stoppen met het betalen van de tram. Maar op kickboksen ga ik niet. Op het Centraal Station stapte ik de tram uit. Ik liep langs de stalling waar mijn fiets stond. Er zat een oranje briefje aan de bagagedrager vastgemaakt waarop stond dat de fiets door de gemeente binnen enkele dagen zou worden weggehaald. Ik scheurde het briefje eraf en gooide het op de grond.

03-11-2014

Ik reed met mijn fiets over de Prins Hendrikkade. Het had net geregend en de straat was nat. Het fietspad werd geblokkeerd door een grote verhuiswagen. Er fietsten een paar mensen voor me. Zij stuurden hun fiets links erlangs en passeerden de wagen. Eenmaal er voorbij stuurden ze weer naar rechts en verdwenen uit mijn beeld. Toen moest ik. Ik ging de verhuisauto links voorbij en reed langs de zijkant van de wagen. Voor me een ventweg van vijf meter breed met rode klinkers. Ik reed links aan de verkeerde kant van de weg bleek later. Een scooter kwam mij tegemoet gereden. Ik reed links en hij reed rechts. Maar omdat we elkaar tegemoet kwamen, reden we allebei op dezelfde weghelft. Iemand moest wijken. Logisch was het geweest als ik naar rechts had gestuurd maar ik deed dat niet. De scooter remde niet af. Voor ik het doorhad waren we elkaar op een paar meter genaderd. Ik stuurde naar links richting een stoeprand die de ventweg van de autoweg scheidde en slipte waardoor mijn achterwiel naar voren schoof. Met mijn fiets kwam overdwars op de weg te staan en de scooter boorde zich in mijn achterwiel. Zijn rubberen wiel beukte tussen mijn spaken vlak naast mijn been. Ik sprong van de fiets. De jongen bleef op de scooter zitten en zei niets. Ik bleef kalm.Mag jij hier wel rijden vroeg ik. Ja ik mag hier rijden zei de jongen. Hij had een zwarte vuilniszak tussen zijn benen staan. Op straat lagen rollen keukenrol die eruit waren gevallen. Is deze weg niet voor mensen die die kant op moeten zei ik en wees in de de richting waarin ik mijn weg had willen vervolgen. Volgens mij mag ik gewoon deze kant op. zei hij. Eigenlijk had jij achter die wagen moeten wachten totdat ik voorbij was zei hij. Dan had ik daar de hele dag achter kunnen wachten want ik kon er niet omheen kijken antwoordde ik. Weet je zeker dat jij hier mocht rijden. Ja dat weet ik zeker zei de jongen. Hij had een koksbroek aan. Sorry ik kan niks voor je betekenen. Succes man. Aan zijn scooter leek weinig kapot. Toen bekeek ik mijn eigen fiets en zag dat er vouw in mijn achterwiel zat. Een slag dat de fietsenmaker er vast niet meer uit zou kunnen krijgen. Gelukkig heeft niemand zich pijn gedaan zei de jongen. Fijne dag. En zo liep ik met mijn fiets weer terug naar het station alwaar de fietsenmaker in het keldertje vertelde dat de fiets niet meer te repareren. Total loss zei ik. Net als bij auto’s. Ja zei de fietsenmaker. ’s Avonds moest ik voetballen. Mijn rechterbeen had ik nog. Mijn fiets staat aan een kettingslot op het station. Ik moet binnenkort afscheid van hem gaan nemen en snel een nieuwe fiets gaan kopen. Een stad is niks zonder fiets.

01-11-2014

Ik stond met een bananenblad boven mijn fornuis. Een kleurtje moest het krijgen had de man van de Surinaamse winkel op de Ten Katemarkt gezegd. Kom terug en laat weten hoe het ging zei hij toen ik de winkel uitliep. Het blad werd droog en sloeg grijs uit boven de vlam. Ik rolde de gerookte makreel in het banenenblad. Het blad scheurde aan alle kanten en dat was niet de bedoeling want ik hield het juist boven het vuur om het lekker beweeglijk te maken. De man in de winkel had met zijn vuisten voorgedaan hoe kneedbaar het zou zijn. Hij deed alsof hij de bladeren vasthad en kneedde zie in allerlei vormen. Als je dat goed doet dan kan er niks ontsnappen. Als er scheurtjes in komen is dat zonde. Dat wil je niet zei hij. Met satéprikkers wist ik de grootste gaten te dichten. Op het ovenrooster deed ik ook nog zilverfolie om het druppelen op te vangen. Ik stopte het pakket in de oven en ging de rijst en de hete boontjes bereiden. Ik rook na twintig minuten een brandlucht. Ik deed de oven open en de bananenbladeren waren zwart. De vis binnenin was wel gaar maar dat is gerookte makreel sowieso al. De vis smaakte niet anders dan als ik het in zilverfolie bereid. Als ik terugkom in het winkeltje ga ik vragen of het hoorde dat het blad zwart was geworden en hoe het komt dat ik niks proefde van het bananenblad. Ik liet die avond de oven aanstaan – dat viel de volgende ochtend op een briefje op tafel te lezen.

30-10-2014

Ik liep ’s ochtends op het centraal station en was twintig minuten te vroeg voor mijn trein. Daar baalde ik van omdat ik geen koffie was gaan drinken bij de koffiezaak bij mij in de buurt omdat ik dacht dat ik de trein van 7:21 nog wel kon halen. Nu haalde ik een espresso bij de firma Julia’s. Er is in de Nederlandse stationsgebieden geen enkele plek waar je een band mee kan opbouwen of je aan kunt binden. Het bestaat allemaal bij de gratie dat je zo gemakkelijk mogelijk iets kan kopen en daarna heel snel weer weg moet wezen.  Ik kreeg de koffie in een kartonnen bekertje geschonken en deed er suiker in uit een papieren zakje en roerde met een plastic staafje. Ik stelde me op voor de Julia’s naast een prullenbak. De mensen liepen gehaast voorbij. Ik nam een slok en moest denken aan de koffiebar op Napels Centraal. Weinig mensen kennen hem hij zit halverwege spoor 1. Eigenlijk is het een restauratie voor TrenItalia-personeel. Wat zou ik daar nu graag zijn tussen het geschreeuw van de barmannen en het geram van hun pistons in hun apparaten. Ik dronk mijn laatste slok op en gooide het bekertje weg in de prullenbak. Een jongeman met een kinderwagen kwam het station binnengelopen. Hij duwde de wagen snel voor zich uit in de richting van een oude man die naast me voor een bloemenkraam stond. Hoi zei de jongen tegen de man. Hai Freek zei de man. De man nam de kinderwagen over van Freek. Freek zei bedankt ik ga en liep snel de trappen op naar zijn spoor. Aan zijn schouder bungelde een laptoptas. De oude man keek in de kinderwagen en wandelde heel langzaam in de richting van de uitgang van het centraal station. Hij nam de extra brede OV-chipkaartpoortjes. Hij ging vast richting de grachten die nu nog in alle rust aan het wakker worden waren. Zo-even glommen de straatstenen nog nat van de kou van de nacht en nog amper beroerd door het brandende rubber der jagende wielen die ze terstond mat zou maken en vuil. En deze laatste zin is er wel een van het hele overdreven soort maar ik heb met mezelf de afspraak gemaakt dat dat hier mag. Als dat gebeurt dan gebeurt dat.

26-10-2014

Ik liep de Albert Heijn-to-go binnen. Achter de kassa stond een meisje met een hoofddoek. Ze was in gesprek met een jongen met een afzakkende broek en een pet op. Ze spraken in en taal waar ik maar flarden van begreep. De jongen kocht een groot pakje sigaretten. Ze groetten elkaar en bij het omdraaien botste hij tegen mij aan. Ik voelde ’t aankomen en ging het ook niet uit de weg. Sorry man zei ik. ’s Goed zei de jongen en zonder dat we elkaar aankeken liep hij naar buiten de regen in en deed ik een stap naar voren naar de kassa. Hai mag ik een pakje Lucky Strike. Het meisje achter de kassa lachte. Zes euro meneer zei ze. Ze lachte weer. Ik moet echt zo schakelen zei ze. Wat bedoel je vroeg ik. Nou net ff straattaal en nou weer gewoon Nederlands. Zie ik eruit alsof ik geen straattaal kan vroeg ik. Nee niet echt meneer. Ik gaf haar de zes euro. Ze zei dank je. En ik zei ayo dushi. We lachten allebei en toen liep ook ik de regen in.

23-10-2014

Ik zat in de Openbare Bibliotheek. Op het bordes waarvan je een mooi uitzicht heb over wie er binnenkomt. Achter de piano bij de ingang zaten twee Indiase mannen. Een man speelde en de ander luisterde en knikte op de muziek mee. Op de een of andere manier verwacht je bij Indiërs niet dat ze piano kunnen spelen. Zijn klanken vulden de OBA. Het was aangenaam. Recht van me leerde een blond meisje over arbeidswetgeving. En links van me zat een man onderuit in zijn stoel. Hij had een zwarte coltrui aan en een bril op met touwtjes. Zijn benen staken ver onder de tafel. In zijn handen had hij een lange bijsluiter van een medicijn. Met die bijsluiter in zijn handen zat hij en hij keek ernaar. Het was onduidelijk of hij ook daadwerkelijk aan het lezen was. Hij bleef naar het verkreukte velletje kijken. De Indiërs achter de piano stonden op en gingen weg. Een Antilliaans meisje ging zitten. Ze had een koptelefoon op. Ze speelde mee met muziek op haar koptelefoon. Ze was erg geconcentreerd. Ze speelde telkens hetzelfde nummer. En na een tijdje klonk het niet meer alsof ze met een liedje op haar koptelefoon meespeelde. Toen ik wegging zat de man naast nog steeds onderuitgezakt in de stoel. De bijsluiter lag voor hem op tafel. En hij keek vanaf het bordes de zelfde zaal in als waar ik naar keek – uitdrukkingsloos. Het meisje met de boeken over arbeidswetgeving was weg. Daar ging nu een man zitten om in een Duits autoblad te bladeren.

21-10-2014

Ik lag op bed en luisterde naar de geluiden van buiten. De ramen trilden in hun kozijnen. De wind waaide er af en toe dwars doorheen, zo leek het. Ja de wind loeide. Hij loeide over mijn muziek heen. Na een poosje ging de wind liggen. Stil werd het niet het ging suizen. Een hele harde regenbui zo klonk het. Ik stond op en ging pissen. Vanuit het wc-raam zag ik het gebouw met meer dan honderd ramen aan de overkant van de straat. Tussen mij en het huis zit een straat van 6 meter breed een kanaal van 5 meter breed nog een straat van 6 meter breed en een stoep van 2 meter breed. Het gebouw lijkt van mijn afstand op een poppenkast. Achter elk raam is leven. Iedere avond weer achter andere ramen. Dan is het bij het ene raam donker en is het licht bij het andere raam juist weer aan. De lampen zijn iedere avond in een andere samenstelling aan en uit. Er zijn zo heel veel mogelijkheden. Ik zag dat er achter veel ramen mensen stonden. Ze keken naar buiten. Ik keek naar het water beneden in het kanaal en zag duizenden verspringende kringen in het water. En toen zag ik het. De straat beneden werd witter en witter. Het hagelde. Het suizen wat ik hoorde was het vallen van de kleine steentjes op straat. En de mensen keken vanuit hun ramen naar buiten. Naar de eerste hagel van de herfst. Een jong echtpaar stond voor een ruit. De vrouw voor tegen de vensterbank leunend met een kop thee in haar hand. Daarachter haar man met een kind in een rompertje. De man keek naar het kindje dat met zijn hoofd ter hoogte van zijn borst hing en wees naar buiten. Vast zijn eerste hagelbui. Achter het raam naast het echtpaar zat een man op de bank. Hij zat op de bank met een bord in zijn hand. Daar zit hij vaker. Hij kijkt dan tv en hij eet. Beneden op straatniveau ging een autoalarm af. Achter de ramen verschenen nu nog meer mensen. Ze leunden op hun vensterbanken en keken naar beneden naar de auto. Naast de vallende hagel de kringen in het water en het wapperen van de takken was het knipperen van de oranje alarmlichten van de auto de enige beweging beneden op straat. De man met het bord op schoot stond opeens recht overeind. Keek geschrokken naar buiten draaide zich weer om zette zijn bord op tafel en rende naar de gang. Tien tellen later liep hij met een krant boven zijn hoofd in een joggingbroek en een groen t-shirt naar de auto met het alarm. Hij zette het alarm uit en rende weer naar binnen. De mensen verdwenen weer achter hun ruiten. Gordijnen gingen dicht en ze gingen weer verder met hun dingen.

20-10-2014

Ik zag een oranje gloed aan de horizon. Hijskranen en schoorstenen werden wakker, in het licht gezet. Ook ik ontwaakte op 12 hoog. Even later rende ik door een stad die wakker werd. Een stad waar ik  niet woonde. De straten breder met minder verkeer en minder mensen dan waar ikzelf woonde. Niemand sprak. Sommigen zaten voorovergebogen op fietsen. Een man met in zijn hand een thermoskan stapte in een blauw busje met een Pools nummerbord. Ik rende langs de grote viswinkel waar ik een tijd geleden een Italiaan voor het eerst een haring liet proeven. Een vrouw zette een bord buiten met daarop advertenties. Ik ging om de hoek en zag de brug met de witte hals. Er was ruimte. Er was wind. Er was ook de benauwde lucht van arbeid en uitlaatgassen in de lucht. Maar er was ruimte. Ik rende de brug op en groette halverwege een wandelaar. Ze had gymschoenen aan en een heuptas omhangen en draaide goed met haar schouders bij iedere pas die ze zette. Goedemorgen zei ze terug. Ik rende verder over de brug en kwam aan bij de plek waar de metalen bespanning vastzat. Ik tikte een verkeersbord aan en keerde om. Ik liep nu richting stad met tegenwind in de richting van een muur van hoge gebouwen. De mast – eens het hoogste gebouw van Nederland – was niet meer de hoogste, een middelmaatje.  Ik was de brug over en de  ruggen namen mij weer op in hun midden. Ik verdween ertussen. Terug bij het gebouw waar ik had geslapen was een man in een werkshirt met duct tape een plastic zeil over de vloer in de galerij aan het spannen. Er wordt nog steeds veel verhuisd in het gebouw en ze willen de mozaïekvloer niet beschadigen.  Je zou een rode loper uitleggen was de afspraak zei ik hem. Nee vandaag deden we een witte antwoordde hij lachend. Terug op het balkon was de oranje gloed verdwenen aan de horizon en zag ik een stilleven van honderden kranen die allemaal een eigen richting de lucht in staken. Ook brandden er lichten die dan weer fel en dan weer dof oplichtten. Ik wist dat het maar schijn was en dat ik eenmaal daar in een gebied was dat gonsde van het geluid, dat de stoom uit alle gaten kwam en ijzeren scharnieren piepten en kraakten en dat je op moest passen waar je je handen plaatste  en dat er soms een container te vroeg werd losgelaten door een hijskraan en een doffe klap maakte op de grond en dat het stof dan opwaaide in gezichten van mensen die nog veel vroeger op waren dan ik.

16-10-2014

Ik zag een familie een eetcafé binnenkomen. Eerst twee kinderen. Voorop het meisje, jaar of zes. Daarna haar broertje jaar of tien. Gevolgd door mama, een mooie vrouw, slank, met het gezicht van een studente kunstgeschiedenis. De vader was blond groot en gezet. Een sterk gezicht een stevige kaak. Ik wil daar zitten zei het meisje en liep regelrecht naar de tafel in de hoek bij het raam. Ik ook zei haar broertje. De ouders volgden. Ik wil een seven-up zei het meisje tegen de ober. Hebt u ook Sprite vroeg het jongetje. Dat hadden ze niet. Doe dan maar seven-up. De moeder nam een glas rode wijn en de vader een herfstbok. De ober kwam terug met haar dienblad en zette de drankjes voor haar gasten neer. Ik keek niet maar ik hoorde het. Man en vrouw proosten. Ze tikten de glazen tegen elkaar. Toen proosten ook de kinderen met elkaar. Daarna knalde het jongetje zijn flesje hard tegen dat van zijn vader. In zijn beweging zat al het verlangen, al het verlangen groot en volwassen te willen zijn. Daarna het bescheiden geluid van het glas van de dochter tegen dat van haar moeder. Je hoorde het bijna niet, maar ook hun glazen klonken. Het meisje had daar nog geen gedachten bij, het klinken van het glas vereiste al alle concentratie. Het was een paar seconden stil. Ik keek en zag de gehele familie met hun glazen aan de mond zitten. Het jongetje dronk uit het flesje. Hij nam een slok en bij het terugkantelen van het flesje van zijn lippen verslikte hij zich in het koolzuur en liet zijn flesje midden op de tafel vallen. De moeder zuchtte. Vader zei maakt niet uit Tim. Tim deed zijn armen over elkaar, zakte onderuit in zijn stoel en keek heel boos naar het flesje op de tafel.

15-10-2014

Ik zag vanochtend de man van de gemeente met een groot apparaat in zijn handen staan. Er zat een antenne aan. Met het ding in zijn hand bestuurde hij de arm boven de bak van een containerwagen die aan de bovenkant open was. Hij ging een meter of tien bij de wagen vandaan staan en richtte de antenne op de arm.  Die bak zit helemaal vol en ik moet nog twee bakken verderop in de straat zei hij. Hij liet een stalen blok dat aan de arm hing een paar keer hard naar beneden vallen om de dozen te pletten. Een paar schoenendozen vielen uit de bak op straat. Ik doe alles helemaal zelf. Eigenlijk net een Playstation zei hij. Ik moest denken aan Roy uit de straat waar ik opgroeide. Roy was de zoon van de man van de vuilniswagens uit het dorp. Roy – een pestkop was het – stond een paar keer per week op de stoep voor zijn huis met net zo’n ding in zijn hand als de man van de gemeente met ook zo’n grote antenne eraan. Door de straat liet hij een radiografisch bestuurbare auto scheuren. Ik stond vaak vanaf de stoep voor onze oprit te kijken. Soms liet hij de auto keihard op mij af rijden en de wagen slippen. Of hij kwam heel zachtjes naar mij toe gereden en ging recht voor mij staan. Dan hield hij de rem in en liet hij de bandjes heel hard draaien totdat er rook van het wegdek kwam. Als ik op mijn fiets naar school fietste liet hij het wagentje mij soms inhalen en een meter of iets voor mij uit slingeren tussen de witte strepen op de weg. Ik had op een dag zelf ook een bestuurbare wagen gekregen voor mijn verjaardag. Gewoon eentje van de Intertoys of de Bart Smit van plastic en met felle kleuren. Hij leek niet op een echt raceauto zoals die van Roy maar op een monstertruck. Het was ook niet zo’n dure als die van Roy met echte bandjes van rubber van een echt bandenmerk en stalen onderdelen die hij vaak aan het smeren was op zijn oprit. Soms kwamen er andere jongens uit het dorp langs met hun wagens. Dan hielden ze wedstrijden in de straat en bouwden ze schansen. Van een buurtvriendje hoorde ik dat Roy zelfs weleens meedeed aan kampioenschappen op speciale circuits. Vaak als ik mijn wagen door de straat liet rijden dan kwam ook Roy naar buiten met zijn wagen. Een keer liet hij zijn wagen vanaf zijn oprit naar onze oprit rijden. Mijn wagentje was daar net vanaf gereden. Met zijn bumper botste hij heel hard tegen mijn wagen aan waardoor die van mij tegen de stoeprand knalde. De wagen kwam op zijn rug terecht als een schildpad en de wieltjes bleven draaiden. Ik liep naar de wagen toe om hem om te keren. Op dat moment haalde Roys wagentje mij weer in en hij reed nog een keer keihard in op mijn wagen waardoor hij in de lucht ronddraaide en weer op zijn wielen terechtkwam. Vanuit de straat hoorde ik een harde lach. Later veel later toen Roy zijn radiografisch bestuurbaar wagentje had ingeruild voor een echte auto die eigenlijk verdomd veel leek op de wagens uit zijn autopark met radiografisch bestuurbare wagentjes – en ik lang en breed vertrokken was uit mijn straat om te gaan studeren – vertelde mijn moeder door de telefoon dat Roy uit de straat de computer van mijn ouders was komen repareren. En ik begreep en begrijp daar nog steeds helemaal niets van.

11-10-2014

Ik zag tot mijn verbazing dat er gewerkt wordt aan de boekvertaling van een in Nederland vrijwel onbekende schrijver. Het betreft Napólide van de Napolitaanse schrijver Erri de Luca (1950). Ik las het boek toen ik in Napels woonde – kreeg het in mijn handen gedrukt van mijn Spaanse huisgenoot die met tranen in zijn ogen na een half jaar alweer afscheid diende te nemen van de stad. Napólide betekent zoiets als dat je uit Napels komt maar er geen deel meer van uitmaakt. Napels kent zo bezien miljoenen mensen met Napólide. Erri di Luca werd in Napels geboren maar verliet zijn geboortegrond toen hij zich aansloot bij een revolutionaire groep. Intens beschrijft hij dat als je de stad eenmaal in de steek hebt gelaten hij nooit meer de jouwe zal worden en dat je tegelijkertijd je nooit meer thuis zult voelen, ergens anders. Annemart Pilon – toen ik in Napels woonde studeerde zij er – vertaalde de volgende passage uit Napólide die mij het meeste bijbleef als volgt: Als ik mezelf bij haar weet te beheersen, dan is dat omdat ik de kleren van een gast draag, niet die van een inwoner. En als ik het recht niet heb om me apolide te noemen, staatloos, kan ik zeggen dat ik napòlide ben, iemand die zijn herkomst van zijn lichaam heeft afgekrabd om zich aan de wereld te geven. Nooit meer kon ik elders aarden. Wie Napels loslaat, laat namelijk alles los: hij heeft zelfs geen spuug meer om zich aan iets of iemand te hechten. Nooit meer heb ik gespuugd, ik heb alleen geslikt, geslikt. Het knippen van mijn treinkaartje was als de hevige klap van een deur die achter je wordt dichtgesmeten. Er zat een gat in mij, niet in mijn kaartje.

10-10-2014

Ik zat in de nok van de schouwburg op het Leidseplein. Voor een tientje zag ik Missie, een toneeltekst geschreven door de Vlaming David van Reybrouck. De monoloog werd gespeeld door een Vlaamse acteur. De acteur van wie ik denk dat hij rond de vijftig is speelde een Vlaamse witte pater van in de tachtig die terugkijkt op zijn leven in De Congo in een zaaltje in Vlaanderen. Binnen een paar minuten had de acteur me. Hij kromde zijn rug, slofte met zijn afgetrapte schoenen, keek af en toe opgeschrikt op vanaf zijn katheder richting coulissen alsof hij een leeuw of een bewapende Hutu hoorde ritselen in de struiken. Hij droeg een pak waarvan de broek een centimeter of vijf te kort was. Binnen een paar minuten was de acteur getransformeerd tot een Vlaamse witte pater van in de tachtig en hij hield me twee uur lang vast. Het publiek liet de acteur vier keer terugkomen voor het applaus. Toen transformeerde hij tot wat hij was, een acteur van 50. Een man die het applaus verlegen in ontvangst nam. Ik liep de zaal uit en het uitstromende publiek zoog me op in hun gang naar beneden. De eerste verstoring was café Stanislavski beneden waar jonge mannen, een paar herkende ik van tv-series, bier bestelden aan de bar en keken alsof het mannen van de wereld waren van 50 maar het niet waren. Toen de deuren door van de Schouwburg het Leidseplein op. Daar rinkelde de tram die om zich een weg te banen door de massa op het Leidseplein tegenwoordig niet meer rinkelt als een tram maar een alarm af laat gaan alsof het een politieauto is.

09-10-2014

Ik heb uitgelegd gekregen hoe ik thuis een optrekstok ophang. Ik woon op een zolder en mijn dak is daarom schuin. In mijn woongedeelte zitten veel schuine houten balken. Ik vroeg me af of die balken stevig genoeg waren om een lijf aan op te tillen. Aan de andere kant, hoe vaak hoor je dat er een huis is ingestort omdat iemand zichzelf aan de draagbalken van het huis heeft opgetrokken? Hoe vaak hoor je überhaupt dat er in Nederland huizen zijn ingestort? De vriend die langskwam legde me uit wat ik nodig heb. Een paar dingen maar heel simpel zei hij. Ik heb allereerst twee dikke schroefhaken nodig die eruitzien als wokkels. Die draai je zo in het hout die zijn hartstikke stevig je hoeft er niet eens voor te boren. Je draait een beginnetje en dan klem je er een schroevendraaier overdwars tussen en dan draai je hem er zo in zei hij. De vriend zei dat ik naar de ijzerwinkel moest gaan en touw moest pakken en moest vragen of ik me er aan op kon trekken. Als het antwoord nee is moet je ze vragen om steviger touw zei hij. Zelf gebruikt hij een deel van een trapleuning als balk waaraan hij zich omhoogtrekt. Maar eigenlijk is steigerbuis beter wist hij. Je draait de wokkels in het hout en hangt aan beide zijdes het touw erin en legt ze vast met gewoon een normale knoop, die ken je wel. Daarna is het zaak de balk aan de uiteindes zo goed mogelijk aan de twee touwen te bevestigen op een manier dat de balk er niet meer uit kan schieten. De vriend komt uit een Friese familie dus hij heeft een mastknoop geleerd. Die gaat hij me binnenkort uitleggen. Na de uitleg over de oprekstok en friet speelden we een potje poolbiljart in een poolcafé in de buurt. Alle tafels waren bezet op één tafel na in de rookruimte. Daar speelden we en potje best of 5. De vriend won. Na de wedstrijd speelden we verder en ging het gelijker op. Op een zeker moment kwam er een groep mensen binnen. Alle heren hadden een wit overhemd aan dat een beetje doorscheen want je zag dat ze eronder een wit t-shirt droegen. Daaronder een zwarte broek met een vouw. En om hun nekken een das. De barvrouw kwam hen achterop gelopen en zei dat ze hun drankjes zelf van de bar mee moesten nemen. Hoezo dat antwoordde een van hen. Omdat we dat hier zo doen zei het meisje. Een van de heren ging het dienblad met de drankjes halen. De anderen zeiden tegen elkaar dat ze dat dienblad ook wel mee had kunnen nemen als ze de moeite nam om naar de rookzaal te komen. Het was een luidruchtige groep mensen. Er was een vrouw bij die rookte en geen kont had in een zwarte broek waarin ook een vouw zat. Ze zong met ieder liedje op de radio heel hard mee. Op zeker moment maande ze de mensen die op andere biljarts speelden tot stilte. Stil mensen, Alwin heeft zijn portemonnee mee! Niemand reageerde. Toen kwam de barvrouw weer terug en vroeg de groep of ze hun glazen niet op de rand van het biljart wilde zetten. Dan moeten we als jullie het omstoten een nieuw laken kopen en die zijn duur zei ze.

07-10-2014

Ik heb het – net als veel anderen – voor het eerst weer koud gehad. Ik pakte voor het eerst de winterjas. Bij die jas kan ik kiezen of ik alleen de knopen dichtdoe of hem ook dichtrits. Ik deed alleen de knopen dicht. Halverwege de fietstocht naar het station stopte ik, omdat ik het koud was. Mensen op de fiets keken elkaar aan en dachten hetzelfde. Koud. Ook de rits ging dicht. Ik at kibbeling op de Kinkerstraat aan een statafel. Maar de wind wapperde de hele tijd een vlag waarop stond dat het mosselseizoen weer begonnen was tegen mijn pet aan en op enig moment sloeg de vlag de pet van mijn hoofd. Ik heb de kibbeling toen lopend opgegeten. Na de kibbeling fietste ik door naar de OBA. Ik hield met een hand mijn pet op mijn hoofd. Bij het vastmaken van mijn fiets keek de vrouw van een Italiaans echtpaar met een bezorgde blik naar me. Het was pas toen dat ik besefte dat ik heel chagrijnig keek. Dat deden meer mensen vandaag. De wind bij de OBA blies de fietsen om die ervoor geparkeerd stonden. Die waaiden een voor een om. Er stond een vrouw met een hoornen bril een sigaret te roken voor de draaideur en soms liep er iemand in of uit die deur. Niemand sprak. Er was het suizen van de wind tussen het beton en soms het blikkerige geluid van weer een fiets die omviel. ‘S avonds liet een man van het toneelgezelschap met een Whatsappje weten dat er in zijn auto was ingebroken terwijl we aan het repeteren waren. Er was gelukkig niet veel weg tikte hij. Met een volgend bericht liet hij weten dat de dief in een banaan was gaan zitten.

04-10-2014

Ik dronk een kop koffie.De vrouw naast me had een zilveren ring om een teen zitten. Ze droeg slippers. Ze was samen met een man. Toen ze opstonden zag ik dat de man ook slippers droeg en ook een ring om een van zijn tenen droeg. Ze liepen weg van de koffiezaak. De vrouw was een kop groter dan de man. Ze legde terwijl ze wandelden haar hand in zijn nek en bewoog langzaam zijn hoofd naar haar toe. Toen stopten ze en gingen recht tegenover elkaar staan. De vrouw had haar hand nog in de mans nek. Ze zoenden. Terwijl dat ene stel wegliep – hand in hand – ging een nieuw stel naast me zitten. Zij legde een pakje sigaretten op tafel. Hij ruimde zuchtend kopjes op die niet op werden geruimd en wat je wel verwacht als je 2,90 voor een cappuccino betaalt. Zij sloeg de krant open en deelde af en toe met hem. Mooi artikel zei ze dan. Hij knikte en keek wat voor zich uit. Hij was helemaal in het zwart. Zwarte trui. Zwart jasje. Zwarte spijkerbroek en aan zijn voeten zwarte glimmende sportschoenen. Hij droeg geen sokken. Hij had mooi golvend grijs haar. Ik vroeg ze hoe laat het was. Ik heb geen horloge bij. Goed zo zei de vrouw. Goed dat je de tijd niet weet. Ze zocht in haar tasje en het was drie voor half drie. Ik las het hoofdstuk af in een boek over jongens die van auto’s hielden. Op een dag kreeg een van hen een ongeluk en stierf. Terwijl ik bezig was met dat hoofdstuk was er een jongetje met een rood autootje aan het spelen op de stoep. Hij trok het autootje naar achteren en door het opwindmechanisme in het autootje schoot het wagentje een paar meter vooruit als hij het losliet. Het vloog de stoep af en kwam onder een echte auto terecht die geparkeerd stond. Het jongetje liep achter de auto en ging op zijn knieën zitten. Toen kwam zijn vader en die zei wat in een vreemde taal. Het jongetje vond het autootje en liet het aan me zien in het langslopen. Gevonden leek hij te zeggen in de vreemde taal die hij sprak. Althans zo keek hij erbij. Op de terugweg op de fiets zag ik dat twee mensen een steiger hadden gebruikt als tijdelijk balkon. Een jongen lag op een Formule 1- handdoek te zonnen en zijn geliefde zat in het raam met haar voeten leunend op de steiger een boek te lezen.

02-10-2014

Ik at een boterham met pindakaas buiten voor de bibliotheek en besloot naar het Nemo te wandelen over de brug en daarna weer terug. Een moeder op een fiets met een kinderzitje voorop kwam langsgefietst. Ze had achter ook een kinderzitje waar een jongetje in lag te slapen. Een bruin jongetje. De moeder was blank. Terwijl ze fietste en met haar linkerhand stuurde ondersteunde ze met haar rechterhand het hoofdje van de jongen die helemaal scheef in zijn stoeltje lag. Alleen bij het steile stuk de brug op moest ze even allebei haar handen aan het stuur houden om meer kracht te kunnen zetten. Het hoofdje van de jongen zakte verder naar beneden en was al bijna ter hoogte van de bagagedrager. Toen de moeder weer op het rechte stuk was deed ze haar hand weer onder het hoofdje en duwde de jongen weer omhoog. Het jongetje bleef slapen en zolang ik ze kon zien bleef de moeder het hoofdje ondersteunen en bleef hij slapen. Toen gingen ze een bocht om.

30-09-2014

Ik remde gisteren voor de dichteres Judith Herzberg bij een zebrapad op de Overtoom. Ik zei tegen haar dat ik dichteressen altijd liet voorgaan. In werkelijkheid was dit de eerste keer dat ik me ervan bewust was dat ik een dichteres zag lopen. Dat kwam omdat ik eerder deze maand naar de Nacht van de Poëzie was geweest en zo’n beetje alle Nederlandse dichters had gezien. Eentje voor het laatst, Remco Campert, althans zo gedroeg iedereen zich en hijzelf ook een beetje. Zou mooi zijn als hij er over 14 jaar nog Lamento staat op te dreunen. Terwijl ik dus de dichteres Herzberg liet oversteken – die ook niet lang meer lijkt te hebben viel me op tijdens de Nacht maar daar zei niemand wat over en ook toen ze overstak –  en ze vriendelijk naar me knikte moest ik opeens aan Wim Brands denken. Wim Brands presenteert zo’n beetje alles over boeken op de radio en de televisie. En hij schrijft ook gedichten. Dat weten niet alle mensen, maar ik wel want ik lees het Hollands Maandblad en ik zag Wim Brands ook optreden op de Nacht van de Poëzie. Ik liet die dichteres dus oversteken en moest daardoor denken aan de Nacht van de Poëzie en daardoor zomaar aan Wim Brands. Het was ook niet echt denken. Ik dacht niet werkelijk aan Wim Brands. Het enige wat er in mijn hoofd gebeurde was dat ik als een soort mantra in mezelf zei Wim Brands Wim Brands Wim Brands Wim Brands Wimke Brands Wimke Brands. Nu heb ik dat wel vaker en ik denk niet dat het erg is. Ik fietste door met dat zinnetje in mijn hoofd. Ik draaide een brug over een gracht op. En toen fietste daar Wim Brands met aan zijn stuur een tasje met daarop Suske en Wiske en Lambik.  Toen ik ’s avonds na de voetbaltraining thuiskwam stond er een auto voor het huis geparkeerd. De lantaarnpaal was nog niet aangegaan. Naast de auto stond een jongen in het donker. Ik kon het niet goed zien, maar hij leek op een Franse jongen die in mijn huis woonde. Uit de auto kwam muziek en de Franse jongen werkt als dj dus ik dacht dat zal die Franse jongen wel zijn met een van zijn vrienden die ook iets met muziek doet en die laat hem nu vanuit de auto een nieuwe track horen. Toen ik dichterbij kwam zag ik dat hij het niet was. Ik stak de sleutel in de deur en op dat moment zei achter mij iemand hé Ralf. De Franse jongen. Ik zei tegen hem dat het toevallig was omdat ik net dacht dat hij dat daar was bij die auto en die muziek. Hij zei iets over de muziek en dat het niet zijn smaak was. En daardoor dacht ik dat ik er maar iets over moest schrijven. Vandaag liep Herzberg trouwens weer bij datzelfde zebrapad. Maar Wim Brands kwam ik niet tegen. Gelukkig.

29-09-2014

Ik schrok van een klap. Ik schoot naar voren. Ik keek om – ik denk met een boos hoofd –  en zag dat een meisje van een jaar of negen met een hoofddoekje om haar gezicht tegen me was aangereden op de Kinkerstraat. Ze keek me met bange ogen aan. Sorry zei ze. Mijn gezicht ging uit de kramp en ik zei dat het niet uitmaakte. Het was een gekke situatie, want ik wist dat juist ik sorry had moeten zeggen. Ik had geen richting aangegeven en was zomaar op de rem getrapt om mijn fiets voor de Hema onder de galerij te kunnen parkeren. Er gebeuren op dit stukje vaker ongelukjes. En ik had ook weleens gevloekt als iemand zomaar uit galerij het fietspad op kwam schieten of zonder zijn hand uit te steken op de rem trapte om zijn fiets te parkeren tussen de pilaren van de galerij. Nu was ik er zelf zo eentje. Ik wist niet dat er iemand achter me fietste. We zaten dus in een situatie van schuldige en onschuldige. Het meisje vond dat zij schuldig was – of was zo geschrokken van mijn hoofd dat ze de schuld maar op zich nam. En ik wist dat ik schuldig was maar voelde me door het meisje in de positie van onschuldige gemanoeuvreerd. Dus ik vroeg haar of ze soms heel hard had gefietst. Ze knikte schuldbewust en zei nog een keer sorry. Toen zei ik dat ik ook dom was geweest en richting aan had moeten geven. Ik wist niet dat je ging remmen zei ze daarop. Ze had geen pijn zei ze. Ik keek naar de grond want ik had ook iets horen vallen en zag haar voorlicht op de grond liggen. De lamp op batterijen was uit de lichthouder gevallen. De lichthouder hing als een omgeknakt kippennekje boven haar voorwiel. Maakt niet uit zei het meisje. Ik raapte het op en zei dat ik het er wel in zou zetten.  Ik zette het er terug in – wat even duurde omdat er een paar pinnetjes verkeerd om zaten. Gelukkig was er niks afgebroken. Het was maar echter zeer de vraag of de lamp het nog zou doen in het donker. Dat maakt mijn vader straks wel zei het meisje. Ik vroeg of de lichthouder al omgeknakt was of dat het bij de botsing gebeurd was. Nee dat was al zo zei het meisje. Ik geloofde haar niet.

27-09-2014

Ik zat naast een man van Curaçao in de nachttrein met als eindstation Heerhugowaard. Daar ben ik nog nooit geweest en zou ook nu weer eerder uitstappen. De trein was vol. Ik ging in de eersteklas zitten, net als iedereen die er zat en ook geen eersteklaskaartje had. Alle mannen zaten en in het gangpad stonden twee mooi geklede vrouwen. De brutaalste van een stel dronken jongens uit Haarlem vroeg of de vrouwen wilden gaan zitten, de vrouwen bedankten ervoor. De jongens dronken Mexicaans bier uit flesjes en aten friet.  Ik ben een gentleman jullie kunnen wel hier zitten, zei de man uit Curacao die naast me zat. Hij dronk een halve liter Amstel, die hij in de kartonnen zak had gestoken waar eerst een kaassoufflé in zat. Moet je dat blik bier in die zak zien, zei de ene vrouw zachtjes tegen de ander. Die vrouw draaide om, keek naar de man uit Curaçao, en weer terug naar haar reispartner. Toen gniffelden ze als vrouwen. De man had er niks van verstaan maar lachte hard mee. Echt niet dames vroeg hij. Dat hij hen beide aansprak betekende trouwens dat hij er vanuit ging dat ook ik op zou staan. De vrouw gaf de man een knipoog en zei nee bedankt. De jongens uit Haarlem zaten verspreid door de coupé en hadden elkaar bijnamen gegeven als ‘Lelijk’ en ‘ Tor’. Om de paar minuten riep er eentje door de coupé hé Lelijk hoe gaat het laat dat blonde meisje eens met rust. Lelijk zei dan ja ja ja ja ja ja nog een biertje Turk? Eentje had als bijnaam Turk. De man naast me lachte telkens hard als de jongens naar elkaar schreeuwden. Wat hem opviel was dat ’s avonds iedereen veel meer met elkaar communiceerde. Dan zit niet iedereen met zijn gezicht in een scherm zei hij. Ik borg daarop mijn weekendkrant op en zag het als een uitnodiging. Dertien uur had hij de kassa’s bewaakt op de Kamasutra-beurs. Gisteren ook, en morgen weer negen uur. Hij woog een kilo of 160. Hij had last van z’n voeten van het staan de hele dag. Ik adviseerde hem legerkisten te kopen. Ik ga zo thuis met mijn voeten in een voetbad zitten zei hij. Ik vroeg of zijn vrouw die bak dan klaarzette. Hij zei nee ik heb geen vrouw. Geen kinderen.  Hij was op zijn 33e naar Amsterdam gekomen. Bewoonde een huis in de Bijlmer. Hij wees naar boven en zei dat hij wel een goede relatie met hem daar had en dat hij dat graag zo wilde houden. Ik had niets meer te vragen en begon een verhaal over zelfgemaakt gemberbier dat ik eerder die dag had gekocht op de markt. Hij zei dat gember goed voor je stem was. En toen begreep ik op wie ik hem vond lijken. Hij leek op Solomon Burke. Maar eigenlijk is het ook weer heel cliché om elke forse donkere man op Solomon Burke te vinden lijken. Toch leek hij er op.

25-09-2014

Ik ging woensdagmiddag naar de film. De premiere van Winter Sleep van de Turkse regisseur Nuri Bilge Ceylan, een van de beste filmmakers van dit moment. Een vriend was van plan mee te gaan. Ik belde hem om te zeggen dat ik kaartjes ging kopen via Ideal. Hij zei dat dat ok was maar dat hij ’s middags nog wel dingen moest doen. Dus hoe laat ik dacht dat we klaar waren. Voordat ik op de knop ‘aankopen’ drukte controleerde ik de speelduur. 196 minuten stond er op IMDB. Ik was nog nooit naar een film van 3 uur en 20 minuten geweest. Alleen Dances with Wolves met Kevin Costner duurde langer: 236 minuten, althans de director’s cut. Maar die zag ik nooit in de bioscoop. Die huurde ik eens in de zoveel tijd bij de videotheek in ons dorp. Tijd dat ik die weer eens ga kijken trouwens. En zo kwam het dat ik woensdagmiddag in mijn eentje naar Winter Sleep zat te kijken. De zaal was lang niet uitverkocht. Een tiende van de zaal was gevuld met mensen die allemaal niet meer hoefden te werken. Er was een leeftijdsgenoot van mij.  Die zat de hele tijd op zijn telefoon te pielen. In de donkere zaal lichtte zijn hoofd telkens op als zijn schermpje aanging. Ik vond het knap irritant.

24-09-2014

Ik zag de mannen van de gemeente weer buiten staan. Ze staan er iedere ochtend. Ze zetten hun witte busje naast de kade. Vanuit mijn raam kijk ik er recht op. Eentje blijft er altijd in de wagen zitten en rookt een sigaret en drinkt uit een blikje cola. Op het dashboard zie ik gedeukte blikjes cola, cd-schijfjes, zakdoeken en een pakje Marlboro liggen. Ook wat gekreukte gratis krantjes. Een ander gaat meestal pissen in de openbare toilet. Hij pist lang. De jongen met rastahaar die normaal altijd op een hoek gaat staan wachten op zijn bezem gaat nu aan de kade staan. De bezem laat hij liggen in de achterbak van de wagen. Uit de achterkant van zijn oranje hesje haalt hij een zak krentenbollen. De krentenbollen scheurt hij met zijn handen in kleine stukjes en gooit het voor zijn voeten. Binnen een halve minuut lopen er meer dan dertig duiven voor hem. Heel langzaam blijft hij de bollen scheuren en de stukjes naar de duiven gooien. Hij probeert ervoor te zorgen dat iedere duif een stukje kan eten. Maar bij duiven er is altijd wel een duif die denkt dat alles voor hem bedoeld is. Ook vanochtend. De duif raast door de groep duiven en springt achter ieder stukje aan dat de man op de grond gooit. De duiven laten hem zijn gang gaan. Hoewel ze met veel meer zijn vallen ze de schrokop niet aan. Vanaf de brug komen krijsende meeuwen aangevlogen. Alle duiven beginnen onrustig te bewegen. De meeuwen maken duikvluchten en de duiven vliegen allemaal weg. De man heeft nog twee bollen in zijn plastic zak. Hij stopt ze weer in zijn achterzak. Misschien gunt hij het de meeuwen niet, of eet hij ze later zelf op als ze weer even gaan pauzeren.

14-09-2014

Ik heb nieuwe remblokjes op mijn wielrenfiets gezet. Dat was nodig. De laatste keer dat ik fietste kon ik eigenlijk niet meer remmen met de remmen achter. Het enige wat je nog hoorde was een schurend geluid. Het blokje raakte nog amper het wiel. Ik moest dus telkens anticiperend remmen met mijn voorste remmen. Maar bij situaties van openslaande autodeuren of overstekende kinderen die achter ballen aanrennen kun je niet anticiperend remmen. Dat gebeurt gewoon en daar moet je klaar voor zijn. Dat was ik niet. En nu weer wel. Ik zie er naar uit om morgen hard op een stoplicht af te fietsen waar mensen staan te wachten met hun fiets.  En dan net voordat ik er tegenaan rijd keihard in die remmen te knijpen. Dat is een magisch gevoel. Hoe snel je met een wielrenfiets stil kan staan.

13-09-2014

Ik zag een vader zijn zoontje naar een vis wijzen. Het was op het winderige perron van Breukelen. Er zijn maar twee sporen. Een links en een rechts. Onder het verhoogde station ligt wat brak water. Daar zit een baars zei de vader. De jongen zette zijn polsen op de stang van de omheining. Hij drukte zichzelf omhoog om eroverheen te kijken. Zijn vader hield hem vast aan zijn t-shirt. Ik zie hem niet zei de jongen. Daar bij die buizen zei de vader. O nou zie ik hem zei de jongen. Maar het is een kleintje. De vader zei tegen de jongen dat ze snel samen zouden gaan vissen. Toen kwam de trein. En nu gaan naar we naar huis zei de vader tegen zijn zoon. De vader had een gehoorapparaatje in. De jongen greep zijn vader stevig bij de hand. Wanneer gaan we dan zei hij bij het binnenstappen. Toen gingen de treindeuren dicht en reed de trein naar Utrecht.

11-09-2014

Ik heb de brillenglazen van een man zien beslaan. We zaten aan een tafel op het terras van een villa op een landgoed. Het was niet bijzonder warm. Gewoon normaal weer. Ook niet extreem vochtig. Gewoon normaal. We kenden elkaar niet. Toen ik aankwam zat er naast zijn tafel een zwarte hond. Ernaast op hun knieën twee kinderen. Ik dacht dat het zijn kinderen waren. Ik vroeg wie dat waren. De man knikte naar een stel dat een tafel verderop zat. Het stel lachte. De hond was wel van hem. We bestelden koffie en taart met walnoot omdat de worteltaart op was. De kinderen gingen weg en de hond ging naast de stoel van de man liggen. Hij vertelde over zijn vrouw die nog niet zo heel lang geleden was overleden aan borstkanker. En dat ze geen kinderen hadden gekregen samen. Ik vroeg of het ging en hij zei dat het wel ging. Met zijn vorkje prikte hij in zijn walnoottaart en bleef prikken zonder een hap te nemen. Toen ik hem aankeek zag ik dat zijn brillenglazen beslagen waren. Tranen zag ik niet.

10-09-2014

Ik heb een vrouw op een hele mooie manier verdriet zien hebben. Zo mooi hoe ze kon praten, een uur lang, en op haar gezicht het verdriet. Verdriet over verlies. Het was te zien. Ook zonder woorden.  Een voortdurend samentrekken van de gezichtsspieren. De mond, de neus, de wangen, de ogen.  Een continue spanning. Een trillen. En de neusvleugels die soms omhoog trokken. En heel soms kwam er een traan. Die veegde ze weg met een vinger. En dan sprak ze verder.

08-09-2014

Ik wandelde door het park. Het was avond. Volle maan. Veel om over na te denken. Ik had een colbert aan, daaronder een trui met capuchon en daaronder een mouwloze trui met ook een capuchon. Ik had ook een pet op en een koptelefoon. Ik kon me wel vier keer vermommen. Ik wandelde onder de beuken door over het rechte stuk paralel aan de Overtoom. De kastanjes lager er alweer. Ik raapte er eentje op. Het was een lastig te pellen kastanje en al pellend liep ik verder naar het einde van het park, na het tunneltje. Daar liep ik het park uit en liep in de richting van huis via de Overtoom. Ter hoogte van de Vondelkerk was ik uitgepeld. Ik had een groen stompje in mijn handen met rimpels. Het was reukloos. Ik gooide het richting een put maar het bleef op het randje liggen. Bij een kruising reed een vrouw op een fiets mij bijna aan. Ze zei sorry. Ik liep nogmaals het park in maar nu halverwege via een zij-ingang. Nu liep ik in tegengestelde richting. Weer het rechte stuk onder de beuken door en nog steeds in gedachten. Over de weg bewoog traag iets donkers. Ik wachtte. Het kwam dichterbij. Het bleek een egeltje. Ik keek ernaar. Met zijn kleine pootjes kroop het onder het hek door naar het theehuis. En toen verdween het.

07-09-2014

Ik heb meegedaan aan voetbalwedstrijd waarbij er aan het begin van de wedstrijd geen scheidsrechter was. In de kantine voor de wedstrijd had de voorzitter laten weten dat de scheidsrechter kort tevoren had afgebeld. We hadden dus geen scheids. De tegenstanders die al drie kwartier voor de wedstrijd aan het warmlopen waren met hesjes, pionnen en veel ballen waren er niet blij mee. Een speler zei toen iedereen zich in de middencirkel verzamelde om het probleem te bespreken dat hij de hele week de site van onze club in de gaten had gehouden en dat er al de hele week een vraagteken stond in de kolom bij het hokje ‘scheidsrechter’. Een speler van ons zei dat er toch een scheids had moeten zijn maar dat hij had afgebeld. De jongen zei dat zal wel ja lekker dan slecht geregeld. We besloten dat een wisselspeler van ons de wedstrijd zou fluiten in een oranje hesje van de tegenpartij. De trainer van de tegenpartij ging aan het begin van de wedstrijd telefoneren. Dat zag ik toen ik me aanbood voor een ingooi vlakbij hun dug-out. Rond de 35e minuut kwam er opeens een man in een scheidsrechterstenue het veld ingelopen. Het was een bekende van de trainer van de tegenpartij. Die had in de buurt al een wedstrijd gefloten en was door de trainer overtuigd naar ons veld te komen. Hij nam de fluit van onze wisselspeler over en pas vanaf toen voelde het alsof de wedstrijd echt begonnen was. We verloren de wedstrijd. Naderhand werd er aan een houten tafel gesproken over warming-ups en of het niet verstandig was als we die ook wat serieuzer zouden doen met pionnen, meer ballen en hesjes.

06-09-2014

Ik heb oog in oog met een leeuw gestaan. Ik was in Artis met mijn moeder. Via via kende ik een verzorger Fred. Fred was van tevoren ingelicht dat we zouden komen. Om 14.15 moesten we bij de leeuwenkuil zijn. Fred hield daar een praatje. Hij had een headset op. Voordat hij begon ging ik naar hem toe. Kom als ik klaar ben maar naar het poortje toe. De leeuwen in de kuil beneden sloegen op ijzeren luiken met hun klauwen. Ze wisten dat als Fred klaar was met zijn praatje ze hun maal zouden krijgen. Fred vertelde het publiek dat de leeuwen lui zijn en meer. Na tien minuten was hij klaar en liep hij naar het poortje. Ik zei kom mam en we liepen door de menigte die naar de leeuwen bleef kijken naar het poortje toe. Fred knikte en sloot het poortje achter ons. We gingen een deur door en toen twee ijzeren hekken die openstonden. We kwamen in een smalle gang terecht, een galerij waar de muren van beton met daarop schrootjeshout waren. Er stonden lockers. Een oude radio speelde klassieke muziek. Fred zette hem uit en zei kom maar mee. We liepen een smallere gang in. Aan onze linkerhand vier hokken. Aan de achterkant van de hokken luiken. Het gebonk op de luiken klonk hier nog veel harder dan buiten. Alsof honderd boze mensen een ambassade bestormen om al het personeel bloedend naar buiten te jagen en een nieuwe vlag op te hangen. De hokken zijn een drive-in voor dieren. In een hok lag een bloeddoorlopen ribbenkast van een koe of varken. Met een piepend geluid trok Fred met een haak een luik omhoog. Een seconde lang zagen we door het geopende luik wat groen en een deel van de leeuwenkuil die we eerder van boven zagen toen we nog tussen het publiek stonden. Voor onze ogen een rasterwerk van ijzer. Heel langzaam liep een leeuw binnen met een grote oranje kraag. Fred deed het luik dicht en even zat de leeuw gevangen. Met zijn klauwen omklemde hij het vlees en keek ons aan. Begon eerst zacht te grommen en daarna harder. Slechts vijf centimeter scheidden ons. Leeuw. IJzeren raster. Wij. Ik vroeg waarom hij zo gromde. Fred zei dat het kwam omdat de leeuw bang was dat wij het vlees weer af zouden nemen. Hij stak zijn hand onder het ijzerwerk door en greep naar het vlees. De leeuw gromde harder en sloeg met zijn poot naar Freds hand. Fred aaide hem door het ijzerwerk over zijn neus. Hij gromde. En hij gromde. En nog een keer ging Fred met zijn hand onder het ijzerwerk door. De leeuw sloeg hard met zijn hand tegen het hek. Fred zei toe maar lieverd en hield op het beest te plagen. Daarna trok hij met stok het luik weer open. De leeuw stond op, stopte het vlees in zijn bek, maalde een paar keek met zijn kaken, draaide om en liep de kuil weer in waar hij ging liggen met het vlees. Buiten lunchten we met chocomel en gevulde koek. Ik zei tegen mijn moeder dat we niet bij de prullenbak moesten gaan zitten omdat daar wespen zaten.

04-09-2014

Ik hoorde een jammerlijk geschreeuw. Ik zat op de hoek van mijn koffieplek waar ze uiteraard de beste cappuccino’s van de stad maken. Of is dat bij uw koffietentje? Enfin. Ik hoorde een jammerlijk geschreeuw. Een man met een Wibratas om zijn pols duwde een rolstoel voort. In de rolstoel zat een oude vrouw in een groene kabeltrui. Ze was duidelijk in een vergevorderd stadium van dementie terechtgekomen. Tegenover de koffiezaak is een speelgoedwinkel waar alleen speelgoed van hout wordt gemaakt. Dat staat mooi in de etalage opgesteld. Brandweerwagens en clowns en treintjes. De vrouw begon nog harder te schreeuwen toen ze langs de etalage werd voortgeduwd. Zo hard dat de man ophield met duwen en haar pal tegenover de ruit parkeerde. Dat hielp niet. De vrouw begon nog harder te schreeuwen. Een monotoon ahhhhh. Ze greep zijn hand vast en trok hem naar zich toe en probeerde iets uit te leggen wat onverstaanbaar was. Ze wees er bij. Van rechts kwam een moeder met haar dochtertje de drukke weg met trambaan overgestoken. Het meisje had een roze valhelmpje op. Ze moesten over de stoep langs de schreeuwende vrouw in de rolstoel. De moeder zei kom Tessa en nam stevige stappen. Ze liep langs de man en de vrouw in de rolstoel alsof ze er niet waren. Het meisje liep echter heel voorzichtig langs de vrouw in de rolstoel en staarde naar de schreeuwende vrouw. Ze bleef totdat ze uit mijn zicht verdween om de paar stappen met een angstig gezicht omkijken naar de vrouw die zo hard zat te schreeuwen in haar rolstoel.

03-09-2013

Ik ben meegelift met een Franse student via een internetdienst waarmee je liften kan regelen dwars Europa door. Hij pikt me op in Amsterdam nadat ik hem een goede parkeerplek heb laten weten via een Appje. Er rijden ook mee: een danser uit Benin die een week lang in Paradiso heeft gedanst en moeie benen heeft en een Georgische man die bij de begroeting niemand in de ogen kijkt. Het duurt even voor Christian en ook ik er zeker van zijn dat we de Georgische man mee willen nemen. Ik ken Christian net drie seconden maar hij kijkt mij aan of ik hem het verlossende antwoord moet geven. Het is zijn auto. De vrienden die de Georgiër naar de parkeerplek hebben gebracht hebben rooddoorlopen ogen. Ik denk dat ze een joint hebben gerookt. Ze merken dat wij nog niet van plan zijn hun vriend mee te nemen. Christian zoekt in zijn telefoon naar het berichtje waarmee de Georgiër zich had aangemeld en kan dat niet vinden. Hij zegt dat hij geen berichtje heeft gekregen van iemand die Gaga heet. Wel van iemand anders met een andere naam, ene Danny. De jongen met de rode ogen legt uit dat iemand anders dat bericht stuurde omdat hun vriend Gaga geen talen spreekt, behalve Georgisch. Alles gaat op tamelijk agressieve toon. What’s the problem what’s the problem what’s the problem zegt hij steeds sneller achter elkaar.Terwijl Christiaan met de Georgiërs praat voel ik een angst in mijzelf. Ik stuur Christiaan een berichtje en zeg I don’t trust them, don’t take him. Christian haalt de telefoon uit zijn broek, leest het bericht en kijkt mij aan met grote ogen. Ik schud mijn hoofd en laat zo weten dat ik niet meereis op deze manier. De jongen met de rooddoorlopen ogen kijkt me strak aan. You are a Nazi zegt hij. This fucking country. All nazis. Ik zeg Christian nu hardop dat ik geen zin heb om op deze manier mee te rijden. Hij en de danser uit Benin vragen me echter te blijven. Dan voelen we ons veiliger zeggen ze. Wat kan die man in zijn eentje tegen ons beginnen? Christian neemt hem dus wel mee. Ik ga op de bijridjersstoel zitten en wacht af wat er gaat gebeuren. Uiteindelijk worden de koffers ingeladen. Tot Osnabrück zal de man slapen en als hij tussendoor even wakker wordt koopt hij drie Lions voor ons bij een tankstation. Hij laat op de stoep gezeten tussen vrachtwagens op een parkeerplek een foto van zijn twintigjarige vrouw en zijn dochtertje zien. Madlobt betekent dankjewel in het Georgisch.

02-09-2014

Ik eet een banaan op pont naar Noord. Het is druk op de pont. Achter staat en man met een papieren vliegtuigje op zijn arm getatoeëerd. Hij heeft een koptelefoon op. Het vliegtuigje is slordig ingekleurd met verfvlekken. Maar dat hoort zo. Naast me staat een vrouw op leeftijd met een erg gaaf gezicht. Ze is nog steeds een mooie vrouw. Voor me rookt een dikke jongen met een pet waarop staat OBEY een sigaret. Een meisje belt met haar moeder. Ik eet mijn banaan op, en weet niet wat ik met de schil moet doen. Ik leg hem over de rand van mijn stuur. De vrouw met het gave gezicht tikt mij aan. Daarachter staat een prullenbak zegt ze. Ik draai om en kijk de man met de tatoeage aan. Geef maar aan mij ik sta dichter bij zegt hij. Als ik de schil aan de man geef zie ik dat de schil zijn onderarm ter hoogte van zijn tatoeage aantikt. Daar blijft wat banaan hangen. Ik lach vriendelijk naar hem en zeg dank je. Ik zie tijdens het omdraaien dat hij zijn arm afveegt aan zijn broek. Dan zet hij zijn koptelefoon weer op. De vrouw met het gave gezicht lacht naar mij en doet haar ogen dicht en geniet heel even van de zon. Dan zijn we aan de overkant en start een meisje een scooter voor me. Iedereen begint te lopen en we gaan ieder onze weg en zijn weer allemaal individuen.

01-09-2014

Ik heb vandaag de vriendin van een vriend hard zien lopen om op tijd in een kroeg te komen. We aten wat bij een Griek in Hamburg. We zaten buiten onder een parasol van een biermerk. Ik had nog driekwart bier in mijn 0,5-glas zitten. De laatste slok liet ik zitten, omdat ik meende te zien dat het de Duitse vriendin echt ernst was. We betaalden de Griek. De Duitse gaf een fooi van 8 euro op een rekening van 42,- euro en we liepen weg. Met grote stappen. Mijn vriend en zijn vriendin dan weer gearmd en dan huppelde ze weer wat los en dan pakte ze haar vriend weer beet. En hij haar. Ik liep er wat achteraan in mijn eigen pas. Ze wist niet precies waar het was zei ze maar ze dacht wel dacht dat we in de goede richting liepen. Op een kruising aangekomen zat een café – type theehuis – met heel veel glas. Binnen zaten jonge en oude stellen. Eén vrouw was alleen. Voor in de zaak een groot scherm waarop voetbalsamenvattingen getoond werden. We namen plaats links achterin de hoek. Mijn vriend en zijn vriendin met de gezichten naar het scherm en ik met mijn rug naar het scherm. De ober kwam naar mij toe en zei dat ik zo natuurlijk niets kon zien zo. Waarvan vroeg ik. Van Tatort zei hij, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ik ging ook met mijn gezicht richting het scherm zitten. Tatort is een Duitse krimi die heel veel mensen in Duitsland kijken. We bestelden wijn en bier en toen zei de Duitse vriendin dat ze in de box achter haar al de begintune van de serie kon horen maar dat er op het scherm nog steeds voetbal was. We bestelden rode en witte wijn en bier. De eigenaar pakte de afstandsbediening en zapte en toen begon Tatort op het grote scherm. Een stel voor ons bestelde een fles bruisend water, een fles rosé en deelden met elkaar een pizza. Gedurende de hele aflevering van Tatort die meer dan een uur duurt hield hij een hand op haar been. Toen ik om mij heen keek zag ik dat alle stellen lichamelijk contact hadden. Een man gaf om de haverklap kleine zoentjes in de nek van zijn vrouw. Links voorin zaten een man en een vrouw met een hond tussen hun benen. Ze aaiden het dier tegelijkertijd en af en toe raakten hun handen elkaar aan in het haar van de hond. Zelfs mijn Nederlandse vriend had zijn arm op de rug van zijn Duitse vriendin liggen. Ik kon er niets aan doen, maar moest ervan glimlachen op een goede manier.

27-08-2014

Ik deed vandaag in een Feyenoord-trainingsbroek de deur open voor de slotenmaker. Mijn slot van de deur was stuk, al een tijdje. De laatste sleutel van het slot die ik nog had brak bijna doormidden en verder draaien ging niet meer. Ik wilde proberen er een nieuw slot plus nieuwe sleutels in te krijgen. Gratis. Dus het leek me verstandig te doen alsof ik geen sleutels had. Nooit gekregen ook. Ik zei tegen de slotenmaker dat ik geen sleutel van de deur had. Hij zei dat hij dan niet kon werken, want om de cilinder eruit te krijgen had hij een sleutel nodig. Hij sprak met een Amsterdams accent. Hij wierp een blik op mijn broek waarop het Feyenoord-logo genaaid zat. Hij zei er niets van. Toen zei ik dat ik toch nog een sleutel had, maar dat die bijna doormidden brak. Hij vond het vreemd dat ik maar één sleutel had. Normaal krijg je er drie zei hij. Ik haalde de sleutel van mijn bosje en gaf het hem. Hij stak hem in het slot en ook bij hem lukte het niet de sleutel om zijn as te laten draaien. Hij vroeg of ik geen WD-40 had, of gewoon iets vettigs. Ik dacht dat ik dat nog had. Ik wilde zeggen dat hij de slotenmaker was en dat soort spul toch bij zich moest hebben. Ik ging de WD-40 zoeken maar vond het niet. In plaats daarvan stelde ik voor om olijfolie te gebruiken. Ja pak dat maar zei hij. Ik doe dat ook altijd in mijn fietsslot als het niet werkt. O ja, zei hij. Handig. Met de olijfolie die ik in een glas had geschonken waarin hij de sleutel doopte kregen we de sleutel wel omgedraaid en kon hij de cilinder uit de deur halen. Hij zei dat het ding helemaal onder het stof zat en dat er vast een pinnetje was afgebroken waardoor de cilinder de sleutel niet goed pakte. Hij vroeg of ik dat ding er zelf in kon zetten. Je krijgt van mij dan een nieuwe cilinder plus drie nieuwe sleutels. Die hoef je alleen maar hierin te schuiven en met een moer aan te draaien, die krijg je ook van mij. En ik geef je ook nog een bout om het deurbeslag mee vast te zetten. Dan rammelt dat ook niet meer zo. Hij zei dat hij de auto helemaal op de Overtoom had staan omdat er voor de deur geen plek was. Als je over tien minuten beneden staat dan geef ik je de spullen. Na tien minuten kwam hij terug en gaf me halverwege het trappenhuis waar we elkaar tegenkwamen een doosje van de firma Winkhaus met daarin een cilinder, drie sleutels en een moer. Ook gaf hij een losse moer voor het deurbeslag. Fijne dag man zei hij. En keek nog een keer naar mijn broek. Weer terug in huis ben ik een kruiskopschroevendraaier gaan zoeken, die vond ik en vanaf nu kan mijn deur weer op slot.


25-08-2014

Ik stond vandaag uit een raam te kijken. Beneden een paar tuintjes. In één tuin stond een plastic glijbaan, het gras moest nodig gemaaid. Een andere tuin bestond uit alleen maar grindtegels. In de derde tuin stonden veel groene planten en ernaast een keurige tuin waarin een oude vrouw stond met een flesje in haar hand. Ze liep af en toe naar binnen en dan weer naar buiten met dat flesje in haar hand. In de tuin recht beneden me een houten tafel waaraan ik eerder eens een man een joint had zien draaien. Nu lag er een natte parasol op de tafel. De hor naar de keuken stond open. In het huis hingen slingers. Even later hoorde ik het lang zal ze leven gezongen door vrouwen- en kinderstemmen. Een buurvrouw ging achterom langs stapte naar binnen via de keuken en zei luid gefeliciteerd. Het regende hard. Steeds harder. In de tuin naast de vrouw met de fles in de hand kwamen twee mensen thuis. Ze droegen allebei een regenpak en zetten de fietsen tegen hun schuurtje. Tussen de mevrouw met de fles in de handen en de tuin van de twee in regenpak zat een groen scherm. De oude vrouw kon er alleen overheen kijken als ze op haar tenen ging staan. Dat deed ze. Ze vroeg iets aan de man in het regenpak. Die deed zijn capuchon af. Ze gaf hem het flesje. Hij draaide het flesje open en gaf het terug over het scherm heen. Ze zei bedankt ging weer naar binnen en sloot de achterdeur.

24-08-2014

Ik heb vandaag niet het concert van Acda en de Munnik kunnen bijwonen. Na dagenlang regen scheen de zon weer. Iedereen leek de weg naar het park te hebben gevonden. Het concert vond plaats op een eiland in het park. De politie had hekken neergezet. Een agent zei dat ik wel langs haar mocht lopen en even mocht kijken, maar dat ik na tien meter toch tegen een hek aan zou lopen waar ik niet langs kon. Bij het hek rolde een jongen zijn spijkerbroek op tot boven zijn knieën. Hij nam een aanloop en rende langs het hek het water in en bereikte in drie passen de overkant. De agenten zagen het niet. Hij liep de menigte in die wel het concert kon zien. Ik wandelde terug naar een rustiger deel van het park. Daar ging ik zitten op een bankje. Een handvat van een crossfiets stak in mijn rug. Naast me op het bankje stond een skateboard. Voor me was een vader met zijn twee kinderen aan het spelen. Hij had skeelers aan en een baseballpet op. Hij belde met iemand en legde uit waar ze precies waren. Zijn dochter leerde intussen haar broertje waveboarden. Ze zei telkens en nu moet je blijven staan. Het jongetje rende op een gegeven moment hard weg en zwaaide met zijn armen maar stopte abrupt en zei oh het was maar een blaadje en geen wesp. Schijterd zei zijn zusje. Toen kwam moeder eraan op een bakfiets en zei kom jongens we gaan kijken.Het duurde tien minuten maar toen was de hele familie zover om naar het concert te gaan kijken. Toen ik even later terug wandelde zag ik dat de familie ook niet op het concerteiland was gekomen. Vader stond met een wielrenner te praten en zoon en dochter waren weer bezig met het waveboard. Als je door twee struiken langs keek zag je Acda en de Munnik staan zingen. Je kon hun stemmen goed horen.

23-08-2014

Ik heb twee boekenplanken opgehangen. De teller staat nu op vier boekenplanken. Ik ben niet ontevreden, te meer omdat het de planken van een oude boekenkast zijn. Het geraamte van de kast is onlangs opgestookt bij een vuur in de tuin, maar de planken heb ik hergebruikt. Een paar weken geleden had ik er al twee aan de muur bevestigd. Ik kon ze toen niet allemaal doen, omdat de ijzerwarenwinkel maar vier steunen had in de lengte die ik nodig had. Vandaag kwam ik weer langs de winkel en zag dat de steunen waren aangevuld. Ik haalde de boor van een goede vriend die ik nog steeds niet heb teruggegeven weer uit de lade en twee schroevendraaiers uit de gangkast. Een paar schroeven zitten nog niet goed vast. En het maakt niet uit hoeveel kracht ik zet met de schroevendraaier, ik krijg ze niet vaster gedraaid. Ik heb zo hard gedraaid dat zich in mijn handpalm een blaar heeft gevormd. Precies op dezelfde plek waar ik een half jaar geleden ook een blaar had. Die kreeg ik na het in elkaar zetten van een kast waarin nu mijn mappen, voetbalschoenen en printer staan. De planken hangen zeker niet waterpas, maar toch schept het orde en daardoor rust. Maar er blijft ook wanorde. Voor drie stapels boeken heb ik namelijk nog geen plek. Die staan nu nog op de grond. Ik ga bij een volgend bezoek aan de supermarkt bananendozen meenemen en ze daarin opslaan. Ik ga ze dan op zolder zetten. Echt missen zal ik ze niet.

21-08-2014

Ik heb vandaag een panbrood gekocht. Ik was allang niet meer bij de Marokkaanse bakker geweest. De afgelopen weken zag ik er telkens andere mannen achter de toonbank staan die ik niet kende. Vanmiddag zag ik hem weer. Ik had ’s avonds zin om een kwart panbrood open te snijden en het te beleggen met mayonaise, spek, tomaat en gesneden gebakken kipfilet. Door de ruit heen zag ik hem zitten in een hoek op een witte plastic stoel. Lang niet gezien zei hij toen ik binnenstapte. Hij gaf een hand. Ik jou ook niet zei ik. Ik was in Marokko. Daar heb ik een huis. Was je er met je familie vroeg ik. Hij schudde zijn hoofd. Met mijn familie hier is het gestopt. Dat is klaar. Maar ik heb daar ook familie. Hij zei dat hij daar een dochter heeft van vijf die Selima heet en die hem zonder morren zijn rug wast. Hij mag van haar ook niet in de keuken komen. Dan stuurt ze me weg. Daar poetst zij en doet ze de afwas. De bakker vindt ook dat het onderwijs in Marokko beter is dan hier in Nederland. Ze kent woorden die hij niet kent. Ik kocht naast het panbrood vandaag ook daglenzen voor bij het zaalvoetbal, condooms en wortelen om Litouwse wortelsoep met kip en tijm te gaan maken later deze week. Gisteren kocht ik een nieuwe pet, omdat het net als in Litouwen ook hier herfst aan het worden is en dan moet je een goeie pet hebben. De pet is geweven op de Hybriden.

20-08-2014

Ik heb vandaag een ruzie op het fietspad vermeden en meteen daarna een fietswedstrijd voor mijzelf verzonnen om de ontstane woede te beteugelen. Ik zit op mijn wielrenfiets en fiets op de Mauritskade in de richting van de Torontobrug. Ik heb een koptelefoon op en luister Radio 4 Klassiek. Een live-programma opgenomen in Café de Smoeshaan bij het Leidseplein. Het snoertje van de koptelefoon zit in mijn telefoon die weer in mijn rugzak zit. Voor mij op het fietspad gaat een echtpaar op twee opoefietsen. Zij kokerrok en pumps hij lange notarisjas en achterovergekamd lang haar. Ik fluit driemaal kort langer lang ten teken dat ik erlangs wil. De man gaat minimaal aan de kant. Eikel. Voorop heeft hij een kinderzitje met een kind erin. Ik haal in op het randje van de stoep wat maar net gaat. Na het inhalen kijk ik achterom. De man zegt met een boos gezicht dat ik door moet rijden. Hij heeft trouwens ook echt een kop als een eikel. Ik voel de adrenaline die ik voel als ik ruzie ga krijgen opwellen. Op dat moment kondigt de presentator Niek Kleinjan aan. Die heeft een vibrafoon mee naar De Smoeshaan genomen en staat op het punt Texas Hoedown van vibrafonist David Friedman te beginnen. De eerste klanken doen mijn benen harder draaien. Hoe zou het zijn als ik bij Café de Smoeshaan aankom en ik Kleinjan nog net de laatste klappen op zijn vibrafoon zal zien geven? Ik schakel op naar een zwaardere versnelling en fiets in grote klappen de brug op de Amstel over. Ik rijd expres door plassen. Natte modderige benen. Bij het stoplicht na de brug staat een meisje stil in een bruine rok met een hond die gaat zitten. Ze wachten op me en laten me passeren zodat ik geen snelheid hoef te minderen. Ze lacht naar me en ik terug. Kleinjan speelt door in mijn koptelefoon. Sneller. Ik ga door over de Stadhouderskade. In de verte het stoplicht op groen. Ik knal de Van Woustraat over. Sneller. Mijn banden maken een bonkend geluid op de tramrails. Sneller. En door, net als Kleinjan op zijn vibrafoon. In de verte een rood licht. Chinese toeristen steken over bij het Heineken-Museum. Een taxi toetert naar een man met kinderzitje die midden op de weg stil is gaan staan nadat hij eerder het rode licht heeft genegeerd. De man zegt sorry en stuurt zich schokkerig de middenberm op. Groen. Ik ga door en Kleinjan speelt door. Hoelang duurt dat nummer nog? In de verte zie ik het lichter worden. Ik snel langs de auto’s op de Weteringschans. Sneller dan de auto’s. Ik kijk naar links door een autoraam en zie dat een vrouw een ladder in een panty heeft. Een bocht in het fietspad. Oppassen bij het bekende bochtje net voor het Stedelijk Museum. In het fietspad zit een ribbel die slecht is voor mijn banden. Boink doet mijn velg net als Kleinjan die nog steeds bezig is op de vibrafoon. Het stoplicht bij het Stedelijk op groen. Ik haal een studente rechts in. Ruik haar parfum. En door. Grote klappen. Het fietspad vrij. Kleinjan versnelt. Ik stopt voor twee Duitse dames voor het zebrapad bij het Vondelpark. Kleinjan speelt nog. Ga ik het halen? Lukt het? En dan rust. Rust. En dan applaus. Applaus. Applaus. Applaus. Niek is gestopt met spelen. Het lied is klaar. De presentator op mijn koptelefoon kondigt de volgende gast aan. Ik bereik het Leidseplein en til mijn stuur op en ga de trambaan over. Langs het American en de Leidsekade naar de Smoeshaan. Een jongen in kostuum rookt voor de ingang. Ik voel teleurstelling en wil omkeren maar er gaat een zijdeur open waaruit een vibrafoon op wieltjes gerold komt. Dan twee jongens die hem duwen. Hoi zeg ik. Ik zat op de fiets en luisterde naar de muziek die op dat ding werd gemaakt. Klonk dat zo vraagt een van de jongens? Hij haalt twee houtjes met bolletjes aan de uiteinden uit zijn broekzak. En speelt een paar seconden de voor mij bekende klanken. Ja, zeg ik. Zo klonk dat. Het was dus echt live. Bedankt, zegt hij. En we lachen.

19-08-2014

Ik heb een Russische taxichauffeur tot twee keer toe van onbegrip met zijn handen op zijn hoofd zien slaan. Ik heb maar 50 Litas zeg ik als ik achterin plaatsneem. Ok zegt hij. No problem. Van het vliegveld naar de Nederlandse ambassade had ik eerder deze week 55 Litas moeten betalen. Ik nam een taxi pal voor het vliegveld. Maar die voor het vliegveld zijn bandidos zegt hij. Die moet je niet nemen. Weet je wat je doet de volgende keer? Hij pakt een kaartje met vlag van Litouwen uit het dashbordkastje en geeft dat aan mij. Ik stop het in mijn portemonnee. Een vriendin van zijn vrouw is manicure zegt hij. Good money. Hij haalt zijn handen van het stuur en slaat ermee op zijn hoofd. Hij snapt het niet. Good money. Good money. Mijn vrouw werkt voor financiën. Bad money. Bad money. Met haar hoofd werkt ze mijn vrouw, en die vriendin met haar handen. Ze maakt handen en nagels schoon die al schoon zijn. Hij kan het niet geloven dat een manicure meer geld verdient dan zijn vrouw die in Finance werkt. Hij haalt nog een keer zijn handen van het stuur en slaat twee keer hard op zijn hoofd. Op het vliegveld moet ik 34 Litas betalen. Ik geef er 40.

18-08-2014

Ik heb het herfst zien worden in Litouwen. Bij een zomeravondbarbecue in een tuin van een jonge vrouw. De vrouw mompelde bij het binnenlopen van de tuin dat het geen zomer meer was. Dat kon je voelen aan de lucht. Ze keek er wat beduusd bij. Op de plastic tafeltjes lagen rolletjes spek gevuld met dadels; twee enorme lappen biefstuk; stukjes kip; grote stukken rode paprika; gele courgette; een pakketje van aluminiumfolie gevuld met een groot stuk zalm met daarop citroen en peper en zout. Ik had een dure Italiaanse wijn gekocht van 45 litas (13 euro) die niemand dronk. Toen ik hem bij aankomst gaf aan de vrouw die de barbecue organiseerde legde ze hem zonder de fles te bekijken in een campingstoel. Iedereen dronk halve liters bier. Een Litouwer had een paar flessen Belgisch bier mee, die kreeg hij van zijn tante in Brussel die daar als tolk werkte. Hij zei dat de zomer bijna ten einde was en dat iedereen dan een liefje moest hebben gevonden voor als de kou er zou zijn. Het was me onduidelijk of hij met de vrouw ging die de barbecue organiseerde – ik hoopte van niet – of dat hij nog op zoek was. Ik hanteerde zo nu en dan de tang en draaide het vlees. Dat ging goed. Wat van de barbecue overbleef was mijn wijn en een in stukken gesneden watermeloen, met weinig smaak. Was dat de voorbode van de herfst? Saaie watermeloen? Iemand zei nog dat de wespen alweer weg waren. Die waren kort daarvoren allemaal in een holle boomstam gevlogen. Ik zei zonder veel na te denken dat de lucht in de avondschemering te koud voor ze was. Deed ik zo misschien ook mee aan het aankondigen van de Baltische winter? Toen we terugliepen naar het huis van mijn Nederlandse vriend die in Litouwen woont zei de vrouw die een eindje met ons meeliep dat ik eens goed naar de stoep moest kijken. Naar de bladeren. Ze kneep haar ogen wat toe en haar blik ging op triest. Dat was haar gisteren voor het eerst opgevallen. En ja, op het gras en de stoepen vormde zich langzaam een geelbruin tapijt. Eerder die week had ze ook al een wintermuts gekocht. Ik vond het wat gek, zo halverwege augustus. Ze zuchtte een beetje en toen namen we afscheid op een kruising in Vilnius, Litouwen. Op weg naar het vliegveld vielen mij de wintersokken op die vrouwen verkochten op houten tafels in het stadscentrum.

12-08-2014

Ik heb een vriend en die is af en toe op internet op zoek naar vrouwen om mee af te spreken. Dat doen meer mensen tegenwoordig. Tinder enzo. Hij gebruikt drie verschillende programma’s. Laatst stuurde hij mij een link door voor het programma waarmee hij het meisje vond waarmee hij zijn laatste afspraak had. Of ik ook lid wilde worden. Annabel heette ze. Hij wist het zo net nog niet, maar op de foto’s zag ze er leuk uit. De dag na de ontmoeting toen ik hem ernaar vroeg zei hij hou op schei uit. Hij zei dat hij alles te weten was gekomen over Accountancy. Maar hij vroeg zich of dat nou helemaal de bedoeling was. Of ik iets van Accountancy wilde weten.Ik vroeg wat een accountant nou eigenlijk deed. Die controleert jaarrekeningen en verder wil ik het er niet over hebben. Hij vond dat de fotograaf van het portret dat de vrouw op de netwerksite gebruikte knap werk had geleverd. In het echt zag ze er anders uit. Ik vond dat hij het lang had volgehouden, van 21:00 tot 00:30. Wel had hij een café uitgekozen waar wij eerder dit jaar aan de bar hadden gezeten. Dezelfde barvrouwen waren er weer. Daar had hij van tevoren, hij was als eerste ter plekke, mee zitten praten en dat was eigenlijk spannender geweest dan die hele afspraak met de accountant. Zij was bij het betreden van het café recht op hem af gelopen en had hem drie zoenen op zijn wang gegeven. Na de ontmoeting had mijn vriend de volledige rekening betaald. Want zo gaat dat nou eenmaal zei hij. Hij kon zich nu ik hem ernaar vroeg niet herinneren dat de accountant bedankt voor de fijne avond had gezegd. Via een chat hadden ze elkaar weten dat ze het allebei een leuke avond hadden gevonden. En nu was het al een tijdje stil.

11-08-2014


Ik had bruine boterhammen met jam voor een vrouw gesmeerd om acht uur ’s ochtends aan een kampvuur in een binnentuin. Het was na een nachtelijk feest. Vandaag dacht ik aan dat moment op dat bankje en moest daardoor denken aan twee jaar geleden. Aan hoe we zaten in het café op het Stadhuisplein. Hoe we binnenkwamen met een plastic tasje waarin twee broodjes shoarma zaten van de Griek op de hoek. En hoe vanzelfsprekend je in deze bar van buiten gebracht eten mocht opeten. Het was een uur of twee ’s nachts. Ook dan nog. We zaten naast elkaar. Niet tegenover elkaar. Dat bleven we doen. Er drupte saus op allebei onze broeken. Het deerde ons niet. We bestelden biertjes. We praatten voor het eerst echt. Je had een grijze jas aan met een hoge kraag. Je lange donkere haar zat deels in die kraag gestopt, waardoor het leek of je halflang ietwat bol haar had. Je had bruine ogen, en in het schijnsel van de neonreclame van de Griek wist ik het eigenlijk al. Die blik van je kwam terug, en ik dacht aan het zitten aan dat tafeltje om twee uur ’s nachts met een broodje shoarma en een Amsterdammertje. En dat we voor het eerst spraken. Echt spraken. En dat er toen iets aan het beginnen was.

05-08-2014

Ik heb vandaag een man ontmoet wiens moeder Riet heet. Dat is een ogenschijnlijk eenvoudige naam. Maar zoals in alle families, gaan er geschiedenissen schuil achter namen. De man heeft niet de allerbeste relatie met zijn moeder. Onlangs was het haar verjaardag geweest, en de dagen bij haar over de vloer waren energievretend geweest. De man was er moe en verdrietig van geworden. Het fijne kwam ik verder niet van haar te weten. Zo lang voerde het gesprek niet. Wel vond de man een mooie beeldspraak die voldoende verklaarde.
Mijn moeder heet Riet. En dat is niet voor niets, zei de man.
Ze buigt als riet. Als een stengel. En veert weer terug. Je denkt dat ze verandert. En dan kom je een paar dagen later en dan is alles weer bij het oude.
De man had niet het idee dat zijn moeder, 79, nog werkelijk zou veranderen. En dat stemde hem treurig.

04-08-2014

Ik heb vanavond twee dieren laten schrikken. Het is warm, al dagen. Op mijn zolderkamer is het extra warm.  De hitte trekt omhoog.  Daarom zet ik de ramen open. En die blijven open, soms de hele dag lang, terwijl ik elders verkeer om andere dingen te doen. Al een aantal dagen ruikt het soms vreemd als ik mijn kamer binnenkom. Naar urine, naar dier. Maar vanavond had ik ze te pakken. Ik deed de deur open, die niet in het slot zat, en geen lawaai maakte bij het opengaan. In het linkerraam zat een forse zwarte kater, die mij met grote ogen geschrokken aankeek. En in het andere raam zag ik nog net het kontje van een rode kat de bocht richting dakgoot nemen. Ik heb ze toegesist, allebei. Met mijn kop uit het raam. En ik hoop nu dat ze niet meer terugkomen. Doen ze dat wel dan is plan B een glas water over hun vacht. Niet dat ik een hekel aan katten heb, helemaal niet. Zij ook niet aan mij, voor zover ik weet. Wat kwamen ze anders doen?  Maar ik wil niet dat ze mijn kamer als plek gebruiken om elkaar de liefde te verklaren. Als aftrekhokje. Of sekspaleis. Er is er hier maar een de baas, en dat ben ik. Ik bepaal wie of wat er mee naar boven gaat. En of er gaat worden liefgehebt. Hopen dat dat nu duidelijk is. Voor hen. Maar ook voor mij.

03-08-2014

Ik heb vanavond aan tafel gezeten met een Italiaanse familie op bezoek in Amsterdam. Een conservatieve familie uit het zuiden. Gisteren waren ze getuige geweest van de Gay Pride. Twee moeders, twee vaders, en vier zonen in de leeftijd tussen 17 en 25. Na het diner Bij Tijger & Kantjil (‘we vinden het leuk om koloniaal te eten’) namen we afscheid van de ouders in de Spuistraat. De ouders richting hun hotel, en wij, de kinderen met mij als beoogd maar achteraf teleurstellende coffeeshopkenner, richting Spui. De ouders waren nog niet uit het zicht en uit alle kontzakken kwam de tabak. Ze begonnen hun sjekkies te draaien. Michele, de jongste, die aan tafel helemaal niets had gezegd, praatte opeens honderduit over alle vrouwen die hij gisteren achter de ruiten had zien staan. Marco wilde Guinness-drinken en zijn neefje Paolo had gisteren in Gay Village met een Nederlandse vrouw van 35 gekust, nadat deze vrouw een vreemd goedje uit een ballon had geïnhaleerd. Gezeten op de bankjes op het Spui naast Het Lieverdje waar we rookten zag ik de een-na-oudste, Gino, opeens in zijn neus peuteren. Hij had wat vast en floepte het uit zijn neusgat. Het bleek zijn neuspiercing te zijn. Die had hij pas sinds een paar weken. En telkens als hij wist dat hij een van z’n ouders zou zien, verstopte hij ‘m in zijn neusgat. Ik ben na de sjekkies en de zoenen en het handenschudden weggefietst over de grachten. De jongens zijn alleen naar een coffeeshop gegaan. Ze hadden gehoord dat je voor drie euro een vloei kon kopen van bijna een meter lang. Doel voor morgen was om die helemaal af te vullen met tabak en wiet en dat dan op te roken. De ouders hadden een dag Utrecht op het programma staan.

Het gif in de stad Het is de stad die ze giftig maakt. Sissen. Sissen naar vrouwen die hardlopen. Op scooters ernaast rijden en naar doen. Ronduit vervelend. Klieren. Reactie uitlokken. Een rotspel. Lijkt me onprettig om op die momenten vrouw te zijn. Het overkwam mijn vriendin gisteravond en ik voelde me er rot bij. Wat moet je daar nou van denken? Het land kunnen ZE niet uit. En ik vind HEN ook helemaal geen ZE. Jongens zijn het, gewoon vervelende rotjongens die draaien om oren nodig hebben. Schop onder hun reet. Misschien met stalen neus, dat wel. Ik ging met een rotgevoel naar bed en ’s ochtends had ik er nog steeds last van toen ik met de fiets bij het stoplicht stond. Scheurde er weer zo’n scooter vervelend hard langs, terwijl iedereen netjes voor rood licht stond te wachten. Even wilde ik ze wat naroepen. Maar ik hield natuurlijk mijn mond. Je moet jezelf geen vervelende dingen op de hals halen. En al helemaal niet om tien uur ’s ochtends. Te vroeg voor geouwehoer. Ik fietste verder richting stad. Aan de overkant van de straat is een groenstrook. Daarop liep een nogal traditioneel geklede Arabische vrouw wat heen en weer. Ze keek wat schuchter om zich heen; Wilde duidelijk niet betrapt worden. Maar met het doen van wat? Ik zette mijn fiets op de standaard en nam plaats op een bankje, een beetje uit haar gezichtsveld. Wat was ze nou aan het doen? Een vrouw in een lang blauw gewaad en met een hoofddoek om. Ze stond op dat groen tussen benzinestation en kinderboerderij Verkeer op de weg zoefde voorbij. Ze pakte een grote tak op van het grasveld, nam hem in beide handen vast als een hakbijl, helde over naar achteren en opvallend snel weer naar voren en liet de tak over haar hoofd heen in het gebladerte boven haar belanden. De tak – geen ding om op je kop te krijgen – viel een paar meter verder weer neer. Ze snelde erheen op haar pantoffels. Weer hetzelfde ritueel. En zo nog een paar keer. Af en toe keek ze wat beschimpt opzij naar fietsers die langsfietsen en haar nakeken. Mij zag ze niet. Toen ze even niemand zag haalde ze uit haar gewaad een blauwe plastic zak. Zo’n zakje die je bij de Turk – gratis – meekrijgt en waar ze de Turkse broden in stoppen of druiven. De vrouw begon te rapen. En toen begreep ik het. Een paar jongens zouden vanavond gepofte kastanjes eten. Of een recept met rijst én kip én kastanjes uit de tajine. Die eenzame vrouw was op dat veldje tussen benzinestation en kinderboerderij even weer een jaar of 12. Toen ze samen met haar vriendinnen takken gooide naar kastanjebomen hoog in de groene Marokkaanse bergen. Ik stapte op de fiets. Het hielp dat beeld. Ik kon ze weer lijden Die jochies op hun scooters. 19 oktober 2013

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: